Art. 1 Richtlijn 2007/36/EG, Voorwerp en werkingssfeer
1. Deze richtlijn stelt voorschriften vast voor de uitoefening van bepaalde aan aandelen met stemrecht verbonden rechten van aandeelhouders in verband met algemene vergaderingen van vennootschappen die hun statutaire zetel in een lidstaat hebben en waarvan de aandelen tot de handel op een in een lidstaat gelegen of werkzame gereglementeerde markt zijn toegelaten.
2. De lidstaat die bevoegd is om regels te stellen betreffende de onder deze richtlijn vallende aangelegenheden, is de lidstaat waarin de vennootschap haar statutaire zetel heeft en verwijzingen naar het „toepasselijke recht” zijn op te vatten als verwijzingen naar het recht van die lidstaat.
3. De lidstaten mogen de volgende soorten vennootschappen van de toepassing van deze richtlijn vrijstellen:
a) instellingen voor collectieve belegging in de zin van artikel 1, lid 2, van Richtlijn 85/611/EEG van de Raad van 20 december 1985 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) (7);
b) instellingen waarvan het uitsluitende doel is de collectieve belegging van uit het publiek aangetrokken kapitaal met toepassing van het beginsel van risicospreiding, en die geen juridische of bestuurlijke zeggenschap nastreven over enigerlei uitgevende instelling waarvan de effecten als onderliggende belegging van deze instellingen fungeren, mits deze instellingen voor collectieve belegging een vergunning bezitten, onder toezicht van bevoegde autoriteiten staan en een bewaarder hebben die taken uitoefent die gelijkwaardig zijn aan die bedoeld in Richtlijn 85/611/EEG;
c) coöperatieve vennootschappen.