Art. 23 Richtlijn 2007/14/EG, Gelijkwaardigheid met betrekking tot het onafhankelijkheidscriterium voor moederondernemingen van beheermaatschappijen en beleggingsondernemingen
1. Een derde land wordt geacht onafhankelijkheidsvoorwaarden te stellen die gelijkwaardig zijn aan die van artikel 12, leden 4 en 5, van die richtlijn wanneer een beheermaatschappij of beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 23, lid 6, van Richtlijn 2004/109/EG, krachtens de wetgeving van dit land aan de volgende voorwaarden moet voldoen:
a) de beheermaatschappij of beleggingsonderneming moet te allen tijde vrij zijn om de stemrechten die aan de door haar beheerde activa verbonden zijn, onafhankelijk van haar moederonderneming uit te oefenen;
b) de beheermaatschappij of beleggingsonderneming moet de belangen van de moederonderneming of van enige andere gecontroleerde onderneming van de moederonderneming terzijde schuiven telkens wanneer zich belangenconflicten voordoen.
2. De moederonderneming voldoet aan de kennisgevingsvereisten van artikel 10, lid 2, onder a), en artikel 10, lid 3, van deze richtlijn.
Voorts verklaart de moederonderneming dat zij voor elk van de betrokken beheermaatschappijen of beleggingsondernemingen voldoet aan de voorwaarden van lid 1.
3. Onverminderd de toepassing van artikel 24 van Richtlijn 2004/109/EG kan de moederonderneming tegenover de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van de uitgevende instelling desgevraagd aantonen dat aan de vereisten van artikel 10, lid 4, van deze richtlijn wordt voldaan.