Art. 10 Verordening (EG) nr. 1987/2006, Beveiliging - Lidstaten
Verordening (EG) nr. 1987/2006
1. Elke lidstaat neemt voor zijn N. SIS II passende maatregelen, waaronder de vaststelling van een veiligheidsplan, opdat:
a) gegevens fysiek worden beschermd, onder meer door noodplannen voor de bescherming van kritieke infrastructuur;
b) onbevoegden de toegang tot de voor de verwerking van persoonsgegevens gebezigde gegevensverwerkingsfaciliteiten wordt ontzegd (controle op de toegang tot de faciliteiten);
c) wordt voorkomen dat gegevensdragers door onbevoegden worden gelezen, gekopieerd, veranderd of verwijderd (controle op gegevensdragers);
d) onbevoegde gegevensopslag in het geheugen, alsmede onbevoegde kennisneming, wijziging of verwijdering van opgeslagen persoonsgegevens worden voorkomen (controle op de opslag);
e) wordt voorkomen dat geautomatiseerde gegevensverwerkingssystemen door middel van datatransmissieapparatuur door onbevoegden worden gebruikt (controle op de gebruikers);
f) degenen die bevoegd zijn een systeem voor automatische gegevensverwerking te gebruiken, uitsluitend toegang hebben tot de gegevens waarop hun toegangsbevoegdheid betrekking heeft, en uitsluitend middels persoonlijke en unieke gebruikersidentiteiten en geheime toegangsprocedures (controle op de toegang tot de gegevens);
g) wordt gewaarborgd dat alle autoriteiten met toegangsrecht tot SIS II of tot de gegevensverwerkingsfaciliteiten profielen opstellen waarin de taken en verantwoordelijkheden worden omschreven van de personen die bevoegd zijn om gegevens in te zien, op te nemen, bij te werken, te wissen en te doorzoeken, en deze profielen desgevraagd onverwijld ter beschikking stellen van de nationale controleautoriteiten bedoeld in artikel 44, lid 1 (personeelsprofielen);
h) nagegaan en vastgesteld kan worden aan welke instanties persoonsgegevens door middel van datatransmissieapparatuur kunnen worden overgedragen (controle op de overdracht);
i) naderhand kan worden nagegaan en vastgesteld welke persoonsgegevens wanneer, door wie en voor welk doel in een geautomatiseerd gegevensverwerkingssysteem zijn opgenomen (controle op de opneming);
j) wordt voorkomen, in het bijzonder door middel van passende versleutelingstechnieken, dat bij de overdracht van persoonsgegevens of gedurende het transport van gegevensdragers de gegevens op onbevoegde wijze worden gelezen, gekopieerd, gewijzigd of verwijderd (controle op het transport);
k) de doelmatigheid van de in dit lid bedoelde beveiligingsmaatregelen doorlopend wordt gecontroleerd en met betrekking tot deze interne controle de nodige organisatorische maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat de voorschriften van deze verordening worden nageleefd (interne controle).
2. De lidstaten nemen maatregelen, gelijkwaardig aan die vermeld in lid 1, met het oog op de beveiliging van de uitwisseling van aanvullende informatie.