Art. 7 Verordening (EG) nr. 1896/2006, Verzoek om een Europees betalingsbevel
Verordening (EG) nr. 1896/2006
1. Het verzoek om een Europees betalingsbevel wordt ingediend door middel van het standaardformulier A van bijlage I.
2. Het verzoek vermeldt:
a) naam en adres van de partijen en, in voorkomend geval, van hun vertegenwoordigers, alsmede de gegevens van het gerecht waarbij het verzoek wordt ingediend;
b) het bedrag van de schuldvordering, met inbegrip van de hoofdsom en, in voorkomend geval, de rente, de contractuele boetes en de kosten;
c) in geval rente over de schuldvordering wordt geëist, de rentevoet en de termijn waarvoor rente wordt gevorderd, tenzij volgens het recht van de lidstaat van oorsprong de hoofdsom automatisch met de wettelijke rente wordt vermeerderd;
d) de grondslag van de rechtsvordering, waaronder een beschrijving van de elementen waarmee de schuldvordering en, in voorkomend geval, de geëiste rente worden gestaafd;
e) een beschrijving van het bewijs tot staving van de schuldvordering;
f) de gronden voor de rechterlijke bevoegdheid;
en
g) het grensoverschrijdende karakter van de zaak in de zin van artikel 3.
3. In het verzoek verklaart de eiser dat de verstrekte inlichtingen naar zijn weten waarheidsgetrouw zijn, en erkent hij dat het opzettelijk afleggen van een valse verklaring aanleiding kan geven tot passende sancties naar het recht van de lidstaat van oorsprong.
4. In een bijlage bij het verzoek kan de eiser aan het gerecht aangeven dat hij bezwaar maakt tegen een overgang naar een gewone procedure in de zin van artikel 17 in geval van verweer door de verweerder. De eiser kan dit ook in een later stadium doen, doch in elk geval voordat het betalingsbevel wordt uitgevaardigd.
5. Het verzoek wordt ingediend op papieren drager of via elk ander communicatiemiddel, inclusief langs elektronische weg, dat door de lidstaat van oorsprong wordt aanvaard en dat bij het gerecht van oorsprong beschikbaar is.
6. Het verzoek wordt door de eiser of, in voorkomend geval, door zijn vertegenwoordiger ondertekend. Een overeenkomstig lid 5 langs elektronische weg ingediend verzoek wordt ondertekend overeenkomstig artikel 2, lid 2, van Richtlijn 1999/93/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 1999 betreffende een gemeenschappelijk kader voor elektronische handtekeningen (7). De elektronische handtekening wordt in de lidstaat van oorsprong erkend zonder dat verdere voorwaarden worden gesteld.
Een dergelijke elektronische handtekening is evenwel niet vereist indien en voorzover er een alternatief elektronisch communicatiesysteem bij het gerecht van de lidstaat van oorsprong bestaat dat voor een bepaalde groep tevoren geregistreerde erkende gebruikers beschikbaar is en waarmee die gebruikers op een veilige manier kunnen worden geïdentificeerd. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van dergelijke communicatiesystemen.
Verwijst naar
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- HvJ EU 22 oktober 2015, C-245/14, ECLI:EU:C:2015:715
- HvJ EU 13 december 2012, C-215/11, ECLI:EU:C:2012:794
- Rb. Rotterdam 26 februari 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:2121
- Rb. Overijssel 30 maart 2021, ECLI:NL:RBOVE:2021:1438
- Rb. Midden-Nederland 9 februari 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:398
- Rb. Arnhem 20 juni 2011, ECLI:NL:RBARN:2011:BR6081
- Rb. Almelo 28 februari 2010, ECLI:NL:RBALM:2010:BL9357