Art. 21 Verordening (EG) nr. 1083/2006, Middelen voor de doelstelling „Europese territoriale samenwerking”
Verordening (EG) nr. 1083/2006
1. De totale middelen voor de doelstelling „Europese territoriale samenwerking” bedragen 2,52 % van de in artikel 18, lid 1, genoemde middelen (zijnde 7 750 081 461 EUR). Deze middelen, met uitsluiting van het in punt 22 van bijlage II genoemde bedrag, worden als volgt over de verschillende onderdelen verdeeld:
a) 73,86 % (zijnde 5 576 358 149 EUR) voor de financiering van de in artikel 7, lid 1, bedoelde grensoverschrijdende samenwerking, waarbij de indicatieve verdelingen per lidstaat worden berekend aan de hand van het criterium van de in aanmerking komende bevolking,
b) 20,95 % (zijnde 1 581 720 322 EUR) voor de financiering van de in artikel 7, lid 2, bedoelde transnationale samenwerking, waarbij de indicatieve verdelingen per lidstaat worden berekend aan de hand van het criterium van de in aanmerking komende bevolking,
c) 5,19 % (zijnde 392 002 991 EUR) voor de financiering van interregionale samenwerking, de samenwerkingsnetwerken en de uitwisseling van ervaringen als bedoeld in artikel 7, lid 3.
2. De bijdrage van het EFRO aan de grensoverschrijdende programma's en de zeebekkenprogramma's uit hoofde van het Europees Nabuurschaps- en Partnerschapsinstrument en de grensoverschrijdende programma's uit hoofde van het pretoetredingsinstrument voor bijstand overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1085/2006, beloopt 813 966 000 EUR, gezien de opgaven van elke betrokken lidstaat en wordt in mindering gebracht op hun bijdragen in lid 1, onder a). Deze EFRO-bijdragen worden niet tussen de betrokken lidstaten herverdeeld.
3. De bijdrage van het EFRO aan elk grensoverschrijdend programma en elk zeebekkenprogramma uit hoofde van de in lid 2 bedoelde instrumenten wordt toegekend op voorwaarde dat de bijdrage uit deze instrumenten aan elk van deze programma's ten minste equivalent is aan die uit het EFRO. Deze equivalente bijdrage is echter begrensd tot een maximumbedrag van 465 690 000 EUR uit hoofde van het Nabuurschaps- en Partnerschapsinstrument en 243 782 000 EUR uit hoofde van het Pretoetredingsinstrument voor bijstand.
4. De jaarlijkse kredieten die overeenstemmen met de in lid 2 genoemde bijdrage van het EFRO, worden opgenomen in de betrokken begrotingsonderdelen van het onderdeel „grensoverschrijdende samenwerking” van de in lid 2 bedoelde instrumenten, en zulks voor het eerst in begrotingsjaar 2007.
5. In 2008 en 2009 wordt de in lid 2 genoemde jaarlijkse bijdrage uit het EFRO waarvoor uiterlijk op 30 juni aan de Commissie geen operationeel programma is voorgelegd uit hoofde van de onderdelen „grensoverschrijdende samenwerking” en „zeebekkens” van de in lid 2 bedoelde instrumenten, aan de betrokken lidstaat ter beschikking gesteld voor de financiering van de in lid 1, onder a), genoemde grensoverschrijdende samenwerking, inclusief samenwerking inzake de buitengrenzen.
Indien er op de limietdatum 30 juni 2010 nog steeds operationele programma's uit hoofde van de onderdelen „grensoverschrijdende samenwerking” en „zeebekkens” van de in lid 2 bedoelde instrumenten zijn die nog niet aan de Commissie zijn voorgelegd, wordt de volledige in lid 2 genoemde bijdrage uit het EFRO voor de resterende jaren tot 2013 ter beschikking gesteld van de betrokken lidstaten voor de financiering van de in lid 1, onder a), genoemde grensoverschrijdende samenwerking, inclusief samenwerking inzake de buitengrenzen.
6. Indien de in lid 2 genoemde grensoverschrijdende programma's en zeebekkenprogramma's na hun aanneming door de Commissie moeten worden stopgezet omdat:
a) het partnerland de financieringsovereenkomst niet heeft ondertekend tegen het einde van het jaar volgend op het jaar waarin het programma is aangenomen; of
b) het programma niet kan worden uitgevoerd omdat zich tussen de deelnemende landen problemen hebben voorgedaan;
dan wordt de bijdrage van het EFRO in de zin van lid 2 ten belope van de nog niet vastgelegde eerste tranche aan de betrokken lidstaten op hun verzoek ter beschikking gesteld voor de financiering van de in lid 1, onder a), genoemde grensoverschrijdende samenwerking, inclusief samenwerking inzake de buitengrenzen.