Art. 20 Verordening (EG) nr. 247/2006, Veehouderij

Verordening (EG) nr. 247/2006

1. Totdat in de Franse overzeese departementen en op Madeira het bestand van lokale jonge mannelijke runderen een niveau bereikt dat voldoende is voor de instandhouding en de ontwikkeling van de lokale vleesproductie, bestaat de mogelijkheid om runderen van oorsprong uit derde landen die bestemd zijn voor verbruik in de Franse overzeese departementen en op Madeira, aldaar voor het mesten ter plaatse in te voeren zonder dat de in artikel 30 van Verordening (EG) nr. 1254/1999 bedoelde douanerechten worden toegepast.

Artikel 3, lid 4, en artikel 4, lid 1, gelden voor de dieren waarvoor de in de eerste alinea van het onderhavige lid bedoelde vrijstelling wordt toegepast.

2. De aantallen dieren waarvoor de in lid 1 bedoelde vrijstelling geldt, worden bepaald wanneer in het licht van de ontwikkeling van de lokale productie wordt aangetoond dat invoer noodzakelijk is. Die aantallen en de nadere bepalingen ter uitvoering van dit artikel, die met name de minimumduur van de mestperiode betreffen, worden volgens de in artikel 26, lid 2, bedoelde procedure vastgesteld. De betrokken dieren zijn bij voorrang bestemd voor de producenten van wie de mestdieren voor ten minste 50 % van lokale oorsprong zijn.

3. Portugal mag in geval van toepassing van artikel 67 en artikel 68, lid 2, onder a), punt i), van Verordening (EG) nr. 1782/2003 het nationale maximum voor de rechten op de betalingen voor schapen en geiten en op de zoogkoeienpremie verlagen. In dit geval wordt het betrokken bedrag volgens de in artikel 26, lid 2, van de onderhavige verordening bedoelde procedure overgeheveld van de ter uitvoering van de genoemde bepalingen vastgestelde maxima naar de bij artikel 23, lid 2, tweede streepje, van de onderhavige verordening vastgestelde financiële toewijzing.

Vorige artikelen

Volgende artikelen