Art. 14 Richtlijn 2006/21/EG, Financiële zekerheid en milieuaansprakelijkheid

Richtlijn 2006/21/EG

1. Voordat wordt begonnen met werkzaamheden waarbij afval in een afvalvoorziening wordt opgestapeld of gestort, verlangt de bevoegde autoriteit een financiële zekerheid of een equivalent daarvan, op basis van procedures die door de lidstaten worden omschreven, zodat:

a) alle verplichtingen die voortvloeien uit de vergunning die ingevolge deze richtlijn wordt verleend, inclusief bepalingen voor na de sluiting, worden nagekomen;

b) op elk moment middelen voorhanden zijn voor de rehabilitatie van het land dat door de afvalvoorziening is aangetast, zoals beschreven in het afvalbeheersplan opgesteld conform artikel 5 en vereist volgens de vergunning van artikel 7.

2. De berekening van de in lid 1 genoemde garantie wordt gemaakt op basis van:

a) de waarschijnlijke invloed van de afvalvoorziening op het milieu. Daarbij wordt in het bijzonder rekening gehouden met de categorie van de voorziening, de kenmerken van het afval en het toekomstige gebruik van het gerehabiliteerde land;

b) de aanneming dat onafhankelijke en deugdelijk gekwalificeerde derde partijen de noodzakelijke rehabilitatiewerkzaamheden zullen beoordelen en uitvoeren.

3. De omvang van de garantie wordt periodiek aangepast, afhankelijk van de elke rehabilitatiewerkzaamheid die op het door de afvalvoorziening aangetaste land moet worden uitgevoerd, zoals beschreven in het afvalbeheersplan opgesteld conform artikel 5 en vereist door de vergunning van artikel 7.

4. Indien de bevoegde autoriteit overeenkomstig artikel 12, lid 3, instemt met de sluiting, verstrekt de bevoegde autoriteit de exploitant een schriftelijke verklaring die de exploitant ontslaat van de in lid 1 van dit artikel bedoelde verplichting tot financiële zekerheid met uitzondering van de verplichtingen die betrekking hebben op de fase na de sluiting van de afvalvoorziening, overeenkomstig artikel 12, lid 4.

Uitspraken die dit artikel aanhalen

Vorige artikelen

Volgende artikelen