Art. 74 Verordening (EG) nr. 1698/2005, Verantwoordelijkheden van de lidstaten

Verordening (EG) nr. 1698/2005

1. De lidstaten stellen overeenkomstig artikel 9, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1290/2005 alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast om een doeltreffende bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap te waarborgen.

2. De lidstaten wijzen voor elk programma voor plattelandsontwikkeling de volgende autoriteiten aan:

a) de beheersautoriteit, die een op nationaal of regionaal niveau werkende overheids- of particuliere instantie kan zijn, of de lidstaat zelf wanneer die taak door hem wordt verricht, die wordt belast met het beheer van het betrokken programma;

b) het erkende betaalorgaan in de zin van artikel 6 van Verordening (EG) nr. 1290/2005;

c) de certificerende instantie in de zin van artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1290/2005.

3. De lidstaten zorgen ervoor dat voor elk programma voor plattelandsontwikkeling de nodige beheers- en controlesystemen zijn opgezet die een duidelijke toedeling en scheiding van de taken van de beheersautoriteit en de andere instanties waarborgen. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de systemen gedurende de gehele programmeringsperiode doeltreffend functioneren.

4. De lidstaten verrichten controles overeenkomstig gedetailleerde uitvoeringsbepalingen die volgens de in artikel 90, lid 2, bedoelde procedure worden vastgesteld, betreffende met name het type en de intensiteit van de controles, die moeten zijn aangepast aan de aard van de verschillende maatregelen voor plattelandsontwikkeling.