Art. 50 Verordening (EG) nr. 1698/2005, Voor betalingen in aanmerking komende gebieden
Verordening (EG) nr. 1698/2005
1. De lidstaten wijzen overeenkomstig de leden 2 tot en met 5 van dit artikel de gebieden aan die in aanmerking komen voor de in artikel 36, onder a), i), ii) en iii), en onder b), i), iii), iv) en vi), bedoelde betalingen.
2. Om voor de in artikel 36, onder a), i), bedoelde betalingen in aanmerking te komen moeten berggebieden worden gekenmerkt door sterk beperkte mogelijkheden voor grondgebruik en veel hogere kosten van werkzaamheden als gevolg van:
a) hetzij zeer ongunstige klimatologische omstandigheden ten gevolge van de hoogteligging waardoor de groeiperiode er aanzienlijk korter is;
b) hetzij, op geringere hoogte, het voorkomen van steile hellingen over het grootste deel van de betrokken oppervlakte waardoor geen machines kunnen worden gebruikt of het gebruik van zeer duur speciaal materieel vereist is, dan wel een combinatie van de voornoemde twee factoren als elke factor afzonderlijk een minder grote handicap tot gevolg heeft, maar de combinatie van de twee tot een handicap van vergelijkbare omvang leidt.
Gebieden ten noorden van 62o NB en sommige aangrenzende gebieden worden als berggebieden beschouwd.
3. Om voor de in artikel 36, onder a), ii), bedoelde betalingen in aanmerking te komen moeten andere gebieden dan de in lid 2 van dit artikel bedoelde berggebieden:
a) hetzij gebieden zijn die te kampen hebben met een grote natuurlijke handicap, met name een geringe bodemproductiviteit of ongunstige klimatologische omstandigheden, en waar de instandhouding van extensieve landbouwactiviteit belangrijk is voor het landbeheer,
b) hetzij gebieden zijn die met een specifieke handicap te kampen hebben en waar de voortzetting van landbeheer noodzakelijk is voor milieubehoud of -verbetering, instandhouding van het platteland en handhaving van de toeristische mogelijkheden van het betrokken gebied of voor kustbescherming.
Deze bedoelde gebieden omvatten landbouwgebieden die homogeen zijn uit het oogpunt van de natuurlijke productieomstandigheden en hun totale oppervlakte mag niet meer bedragen dan 10 % van de oppervlakte van de betrokken lidstaat.
4. In de programma's worden door de lidstaten, overeenkomstig specifieke bepalingen, vast te stellen volgens de in artikel 90, lid 2, bedoelde procedure:
— de op grond van lid 2 en lid 3, onder b), bestaande begrenzingen bevestigd dan wel gewijzigd,
— de in lid 3, onder a), bedoelde gebieden afgebakend.
5. De overeenkomstig de Richtlijnen 79/409/EEG en 92/43/EEG aangewezen Natura 2000-landbouwgebieden en landbouwgebieden die zijn opgenomen in beheersplannen voor stroomgebieden van rivieren overeenkomstig Richtlijn 2000/60/EG komen in aanmerking voor de in artikel 36, onder a), iii), bedoelde betalingen.
6. De gebieden waar bebossing wenselijk is om milieuredenen zoals bescherming tegen erosie of bosuitbreiding om klimaatverandering te helpen tegengaan, komen in aanmerking voor de in artikel 36, onder b), i) en iii), bedoelde betalingen.
7. De overeenkomstig de Richtlijnen 79/409/EEG en 92/43/EEG aangewezen Natura 2000-bosgebieden komen in aanmerking voor de in artikel 36, onder b), iv), bedoelde betalingen.
8. De middelmatig tot zeer brandgevaarlijke bosgebieden komen in aanmerking voor de in artikel 36, onder b), vi), bedoelde betalingen voor preventieve maatregelen tegen brand.