Art. 15 Richtlijn 2005/36/EG, Vrijstelling van compenserende maatregelen op basis van gemeenschappelijke platforms

Richtlijn 2005/36/EG

1. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder een „gemeenschappelijk platform” een reeks criteria voor beroepskwalificaties verstaan waarmee de wezenlijke verschillen die zijn geconstateerd tussen de opleidingseisen die in de verschillende lidstaten voor een bepaald beroep gelden, kunnen worden gecompenseerd. Deze wezenlijke verschillen worden geconstateerd middels vergelijking tussen de duur en de inhoud van de opleiding in ten minste twee derde van de lidstaten, waaronder alle lidstaten waar dit beroep is gereglementeerd. Het verschil in opleidingsinhoud kan het gevolg zijn van wezenlijke verschillen in de draagwijdte van de beroepsactiviteiten.

2. Gemeenschappelijke platforms als gedefinieerd in lid 1 kunnen aan de Commissie worden voorgelegd door de lidstaten of door beroepsverenigingen of -organisaties die op nationaal en Europees niveau representatief zijn. Wanneer de Commissie, na raadpleging van de lidstaten, van oordeel is dat een ontwerp van een gemeenschappelijk platform de onderlinge erkenning van beroepskwalificaties vergemakkelijkt, kan zij ontwerpmaatregelen voorstellen met het oog op de aanneming ervan volgens de procedure van artikel 58, lid 2.

3. Wanneer de beroepskwalificaties van de aanvrager voldoen aan de criteria die in het kader van de overeenkomstig lid 2 aangenomen maatregel zijn vastgesteld, ziet de ontvangende lidstaat af van de toepassing van compenserende maatregelen uit hoofde van artikel 14.

4. De leden 1 tot en met 3 doen geen afbreuk aan de bevoegdheid van de lidstaten om de vereiste beroepskwalificaties voor de uitoefening van beroepen op hun grondgebied, alsook de inhoud en de organisatie van hun stelsels voor onderwijs en beroepsopleiding, vast te stellen.

5. Indien een lidstaat van oordeel is dat de criteria die zijn vastgesteld in het kader van een overeenkomstig lid 2 aangenomen maatregel niet meer voldoende waarborgen bieden met betrekking tot de beroepskwalificaties, stelt hij de Commissie hiervan in kennis die in voorkomend geval een ontwerp-maatregel voorstelt overeenkomstig de procedure van artikel 58, lid 2.

6. De Commissie dient uiterlijk op 20 oktober 2010 bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de werking van dit artikel, en, indien nodig, passende voorstellen tot wijziging van dit artikel.