Art. 50 Verordening (EG) nr. 2216/2004, Bevoegdheid en de reserve voor de verbintenisperiode
Verordening (EG) nr. 2216/2004
1. Een lidstaat kan geen ERU’s of AAU’s overdragen of verwerven, noch CER’s gebruiken, voordat 16 maanden zijn verstreken sinds de indiening van zijn rapport overeenkomstig artikel 7, lid 1, van Beschikking 280/2004/EG, tenzij het secretariaat van het UNFCCC de lidstaat ervan in kennis heeft gesteld dat geen nalevingsprocedures zullen worden ingeleid.
Krachtens artikel 8 van Beschikking 280/2004/EG geeft, indien het secretariaat van het UNFCCC een lidstaat ervan in kennis stelt dat hij niet voldoet aan de eisen die de bevoegdheid geven ERU’s of AAU’s over te dragen of te verwerven of CER’s te gebruiken, de betrokken instantie van de lidstaat de registeradministrateur opdracht de transacties waarvoor die bevoegdheid vereist is, niet uit te voeren.
2. Wanneer vanaf 1 januari 2008 de tegoeden aan voor de desbetreffende periode van vijf jaar geldende ERU’s, CER’s, AAU’s en RMU’s op de partij-, exploitant- en persoonstegoedrekeningen, alsook de afboekingsrekeningen in een lidstaat het niveau benaderen waarop de reserve voor de verbintenisperiode niet langer in acht wordt genomen, welke reserve overeen dient te komen met 90 % van de aan de lidstaat toegewezen hoeveelheid of 100 % van het vijfvoud van de meest recente geïnventariseerde hoeveelheid waarover de lidstaat beschikt, naar gelang welke waarde de laagste is, stelt de Commissie de lidstaat daarvan in kennis.