Art. 59 Richtlijn 2004/17/EG, Betrekkingen met derde landen op het gebied van opdrachten voor werken, leveringen en diensten

Richtlijn 2004/17/EG

1. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van alle moeilijkheden van algemene aard die hun ondernemingen feitelijk of rechtens hebben ondervonden en gerapporteerd om in derde landen opdrachten voor diensten toegewezen te krijgen.

2. De Commissie dient vóór 31 december 2005 en vervolgens periodiek, bij de Raad een verslag in betreffende de openstelling van opdrachten voor diensten in derde landen, alsook betreffende de stand van de onderhandelingen die daarover, met name in het kader van de WTO, met deze landen worden gevoerd.

3. De Commissie beijvert zich ervoor bij het desbetreffende derde land een situatie te verhelpen, ten aanzien waarvan zij op grond van de in lid 2 bedoelde verslagen, of op basis van andere informatie, vaststelt dat met betrekking tot het plaatsen van opdrachten voor het verrichten van diensten:

a) een derde land de ondernemingen van de Gemeenschap geen toegang verleent die vergelijkbaar is met die welke de Gemeenschap toekent aan ondernemingen van dat derde land,

b) de ondernemingen van de Gemeenschap in een derde land niet dezelfde behandeling of dezelfde concurrentiemogelijkheden krijgen als de binnenlandse ondernemingen, of

c) ondernemingen van andere derde landen een gunstiger behandeling krijgen dan de ondernemingen van de Gemeenschap.

4. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van alle moeilijkheden die hun ondernemingen feitelijk of rechtens hebben ondervonden en gerapporteerd die te wijten zijn aan het feit dat de in bijlage XXIII bis bedoelde internationale arbeidsnormen niet in acht genomen zijn toen deze ondernemingen trachtten in derde landen opdrachten voor diensten toegewezen te krijgen.

5. In de in de leden 3 en 4 genoemde gevallen kan de Commissie te allen tijde de Raad voorstellen te besluiten dat het gunnen van opdrachten voor diensten gedurende een in het besluit te bepalen periode wordt geschorst of beperkt ten aanzien van:

a) ondernemingen waarop de wetgeving van het betrokken derde land van toepassing is;

b) ondernemingen die met de onder a) bedoelde ondernemingen zijn verbonden en die hun statutaire zetel in de Gemeenschap hebben, maar die geen daadwerkelijke en directe band met de economie van een lidstaat hebben;

c) ondernemingen die inschrijvingen indienen welke betrekking hebben op diensten die hun oorsprong hebben in het desbetreffende derde land.

De Raad neemt zijn besluit zo spoedig mogelijk en met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.

De Commissie kan deze maatregelen uit eigen beweging of op verzoek van een lidstaat voorstellen.

6. Dit artikel laat de verplichtingen van de Gemeenschap ten aanzien van derde landen uit hoofde van internationale overeenkomsten inzake overheidsopdrachten, met name in WTO-verband, onverlet.

Vorige artikelen

Volgende artikelen