Art. 24, Procedures voor de unilaterale opneming van verdere activiteiten en gassen

1. Vanaf 2008 mogen de lidstaten handel in emissierechten overeenkomstig deze richtlijn toepassen op in bijlage I niet genoemde activiteiten, installaties en broeikasgassen, op voorwaarde dat de opneming van dergelijke activiteiten, installaties en broeikasgassen door de Commissie wordt goedgekeurd volgens de procedure van artikel 23, lid 2, met inachtneming van alle relevante criteria, in het bijzonder de effecten op de interne markt, mogelijke concurrentieverstoringen, de milieu-integriteit van de regeling en de betrouwbaarheid van het geplande bewakings- en rapportagesysteem.

Met ingang van 2005 kunnen de lidstaten emissierechtenhandel op dezelfde voorwaarden toestaan voor installaties die de in bijlage I genoemde activiteiten verrichten waarvan de capaciteit onder de aldaar genoemde drempelwaarden ligt.

2. Toewijzingen aan installaties die dergelijke activiteiten verrichten worden gespecificeerd in het in artikel 9 bedoelde nationale toewijzingsplan.

3. De Commissie kan volgens de procedure van artikel 23, lid 2, op eigen initiatief bewakings- en rapportagerichtsnoeren vaststellen, of doet zulks op verzoek van een lidstaat, voor in bijlage I niet genoemde emissies, installaties en broeikasgassen, indien de bewaking van en de rapportage over deze emissies met voldoende nauwkeurigheid kan geschieden.

4. Indien zulke maatregelen worden ingevoerd, wordt bij evaluaties krachtens artikel 30 ook beoordeeld of bijlage I zodanig moet worden gewijzigd dat de emissies van die activiteiten in de gehele Gemeenschap onder een geharmoniseerde regeling vallen.

Uitspraken die dit artikel aanhalen