Art. 6 Richtlijn 2003/49/EG, Overgangsregels voor Griekenland en Portugal

Richtlijn 2003/49/EG

1. Griekenland en Portugal hebben de mogelijkheid om artikel 1 niet toe te passen tot de toepassingsdatum bedoeld in artikel 17, leden 2 en 3, van Richtlijn 2003/48/EG van de Raad van 3 juni 2003 betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling(4). Gedurende een overgangsperiode van acht jaar die op de genoemde datum begint, mag de belasting op uitkeringen van interest of royalty's aan een verbonden onderneming van een andere lidstaat of een in een andere lidstaat gelegen vaste inrichting van een verbonden onderneming van een lidstaat gedurende de eerste vier jaar ten hoogste 10 % en gedurende de laatste vier jaar ten hoogste 5 % bedragen.

Spanje heeft, alleen voor de uitkeringen van royalty's, de mogelijkheid om artikel 1 niet toe te passen tot de toepassingsdatum bedoeld in artikel 17, leden 2 en 3, van Richtlijn 2003/48/EG. Gedurende een overgangsperiode van zes jaar die op de genoemde datum begint, mag de belasting op uitkeringen van royalty's aan een verbonden onderneming van een andere lidstaat of een in een andere lidstaat gelegen vaste inrichting van een verbonden onderneming van een lidstaat ten hoogste 10 % bedragen.

Hieraan is echter de voorwaarde verbonden dat belastingtarieven die eventueel lager zijn dan die genoemd in de eerste twee alinea's en waarin wordt voorzien door bilaterale overeenkomsten tussen Griekenland, Spanje of Portugal en andere lidstaten, van toepassing blijven. Vóór het einde van elk van de genoemde overgangsperiodes kan de Raad, op voorstel van de Commissie, met eenparigheid van stemmen besluiten deze te verlengen.

2. Indien een onderneming van een lidstaat of een in die lidstaat gelegen vaste inrichting van een onderneming van een lidstaat interest of royalty's ontvangt van:

- een verbonden onderneming van Griekenland of Portugal,

- een verbonden onderneming van Spanje,

- een in Griekenland of Portugal gelegen vaste inrichting van een verbonden onderneming van een lidstaat, of

- een in Spanje gelegen vaste inrichting van een verbonden onderneming van een lidstaat,

staat de eerstgenoemde lidstaat toe dat een bedrag, gelijk aan de belasting die overeenkomstig lid 1 in Griekenland, Spanje of Portugal over die inkomsten is betaald, in mindering wordt gebracht op de belasting over de inkomsten van de onderneming of de vaste inrichting die deze inkomsten heeft ontvangen.

3. De in lid 2 bedoelde vermindering behoeft niet hoger te zijn dan het laagste van de volgende twee bedragen:

a) de belasting die in Griekenland, Spanje of Portugal verschuldigd is op grond van lid 1, of

b) het gedeelte van de belasting over de inkomsten van de onderneming of vaste inrichting die de interest of de royalty's heeft ontvangen, berekend voordat de vermindering is toegestaan, dat volgens de nationale wetgeving van de lidstaat van de onderneming of waar de vaste inrichting gelegen is, aan deze uitkeringen kan worden toegerekend.