Art. 4 Richtlijn 2003/30/EG

Richtlijn 2003/30/EG

1. De lidstaten brengen jaarlijks vóór 1 juli bij de Commissie verslag uit over:

- de maatregelen die genomen zijn om het gebruik van biobrandstoffen of andere hernieuwbare brandstoffen ter vervanging van diesel of benzine in het vervoer te bevorderen;

- de nationale middelen die zijn toegewezen voor de productie van biomassa ten behoeve van andere vormen van energiegebruik dan vervoer en

- de totale afzet van transportbrandstof en het aandeel van op de markt gebrachte biobrandstoffen, vermengd of onvermengd, en andere hernieuwbare brandstoffen in die afzet in het voorgaande jaar. In voorkomend geval brengen de lidstaten verslag uit over eventuele uitzonderlijke omstandigheden bij de voorziening van ruwe olie of olieproducten die de afzet van biobrandstoffen en andere hernieuwbare brandstoffen hebben beïnvloed.

In het eerste verslag na de inwerkingtreding van deze richtlijn vermelden de lidstaten het niveau van hun nationale indicatieve streefcijfers voor de eerste fase. In het verslag over 2006 vermelden zij het niveau van hun nationale indicatieve streefcijfers voor de tweede fase.

Differentiatie van de nationale streefcijfers ten opzichte van de in artikel 3, lid 1, onder b), genoemde referentiewaarden, wordt in deze verslagen met redenen omkleed en kan op de volgende elementen worden gebaseerd:

a) objectieve factoren, zoals het beperkte nationale potentieel voor de vervaardiging van biobrandstoffen uit biomassa;

b) de hoeveelheid middelen die wordt toegewezen voor de productie van biomassa ten behoeve van andere vormen van energiegebruik dan vervoer en de specifieke technische en klimatologische kenmerken van de nationale markt voor transportbrandstoffen;

c) nationale beleidsmaatregelen betreffende de toewijzing van vergelijkbare middelen voor de productie van andere transportbrandstoffen die gebaseerd zijn op hernieuwbare energiebronnen en die stroken met de doelstellingen van deze richtlijn.

2. De Commissie stelt uiterlijk op 31 december 2006, en vervolgens om de twee jaar, een evaluatieverslag op voor het Europees Parlement en de Raad over de vooruitgang die in de lidstaten met het gebruik van biobrandstoffen en andere hernieuwbare brandstoffen is geboekt.

Dit verslag dient ten minste de onderstaande elementen te omvatten:

a) de kosteneffectiviteit van de maatregelen die de lidstaten getroffen hebben om het gebruik van biobrandstoffen en andere hernieuwbare brandstoffen te bevorderen;

b) de economische aspecten en het milieueffect van een verdere verhoging van het aandeel van biobrandstoffen en andere hernieuwbare brandstoffen;

c) het aspect levenscyclus van biobrandstoffen en andere hernieuwbare brandstoffen, om mogelijke maatregelen vast te stellen ten behoeve van de toekomstige bevordering van die brandstoffen die klimaat- en milieuvriendelijk zijn en het potentieel hebben om concurrerend en kostenefficiënt te worden;

d) de duurzaamheid van gewassen die gebruikt worden voor de productie van biobrandstoffen, met name het bodemgebruik, de mate van teeltintensiteit, de wisselbouw en het gebruik van pesticiden;

e) de evaluatie van de verschillende effecten van het gebruik van biobrandstoffen en andere hernieuwbare brandstoffen op de klimaatverandering en de gevolgen voor de vermindering van CO2-emissies;

f) een overzicht van andere opties voor de lange termijn op het gebied van maatregelen betreffende de energie-efficiëntie op vervoersgebied.

Op grond van dat verslag dient de Commissie zo nodig voorstellen bij het Europees Parlement en de Raad in voor de aanpassing van de in artikel 3, lid 1, genoemde streefcijfers. Indien in het verslag wordt geconcludeerd dat de indicatieve streefcijfers waarschijnlijk niet gehaald worden om redenen die niet gerechtvaardigd zijn en/of geen verband houden met nieuw wetenschappelijk bewijs, worden in die voorstellen in een passende vorm nationale streefcijfers opgenomen, waaronder eventueel bindende streefcijfers.