Art. 43 Verordening (EG) nr. 178/2002, Vaststelling van de begroting van de Autoriteit
1. De ontvangsten van de Autoriteit bestaan uit een bijdrage van de Gemeenschap en van elke andere staat waarmee de Gemeenschap overeenkomsten heeft gesloten als bedoeld in artikel 49, alsmede heffingen voor publicaties, conferenties, opleidingen en eventuele andere soortgelijke activiteiten waarin de Autoriteit voorziet.
2. De uitgaven van de Autoriteit omvatten personeelsuitgaven, administratieve uitgaven, infrastructuuruitgaven en beleidsuitgaven, alsmede uitgaven die voortvloeien uit met derden gesloten overeenkomsten of uit financiële steunverlening als bedoeld in artikel 36.
3. De uitvoerend directeur stelt jaarlijks tijdig vóór de in lid 5 genoemde datum een raming op van de ontvangsten en uitgaven van de Autoriteit voor het volgende begrotingsjaar en zendt die, tezamen met een overzicht van de voorlopige personeelsformatie, aan de raad van bestuur.
4. De ontvangsten en uitgaven zijn in evenwicht.
5. De raad van bestuur stelt jaarlijks uiterlijk 31 maart de ontwerp-raming vast met inbegrip van de voorlopige personeelsformatie en het voorlopige werkprogramma en zendt die naar de Commissie en naar de staten waarmee de Gemeenschap overeenkomsten gesloten heeft als bedoeld in artikel 49. De Commissie neemt op basis daarvan de desbetreffende ramingen op in het voorontwerp van algemene begroting van de Europese Unie, dat zij overeenkomstig artikel 272 van het Verdrag aan de Raad voorlegt.
6. Na de vaststelling van de algemene begroting van de Europese Unie door de begrotingsautoriteit stelt de raad van bestuur de definitieve begroting en het definitieve werkprogramma van de Autoriteit vast, waarbij hij deze zo nodig aan de bijdrage van de Gemeenschap aanpast. Hij zendt die begroting en dat werkprogramma onverwijld toe aan de Commissie en de begrotingsautoriteit.