Art. 42 Richtlijn 2002/55/EG
1. Indien bij de controle achteraf te velde herhaaldelijk wordt geconstateerd dat zaad van een ras niet voldoende beantwoordt aan de voorwaarden met betrekking tot de rasechtheid of de raszuiverheid, zien de lidstaten erop toe dat aan degene die voor het in de handel brengen van het zaad verantwoordelijk is, geheel of gedeeltelijk, en eventueel voor een bepaalde periode kan worden verboden dit zaad in de handel te brengen.
2. De krachtens lid 1 getroffen maatregelen worden pas ingetrokken wanneer met voldoende zekerheid is gebleken dat het voor de handel bestemde zaad in de toekomst zal beantwoorden aan de voorwaarden met betrekking tot de rasechtheid en de raszuiverheid.