Art. 49, Terugvordering van ten onrechte betaalde bedragen
1. In geval van een onverschuldigde betaling is het bedrijfshoofd verplicht het betrokken bedrag terug te betalen, verhoogd met de overeenkomstig lid 3 berekende rente.
2. De lidstaten kunnen besluiten dat een ten onrechte betaald bedrag wordt verrekend met voorschotten of betalingen die na het besluit betreffende de terugvordering aan het bedrijfshoofd worden toegekend op grond van de in artikel 1, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 3508/92 bedoelde steunregelingen. Het bedrijfshoofd mag het bedrag evenwel terugbetalen zonder die verrekening af te wachten.
3. De rente wordt berekend op basis van de periode die is verstreken tussen de kennisgeving aan het bedrijfshoofd dat hij verplicht is het betrokken bedrag terug te betalen, en de feitelijke terugbetaling of de verrekening.
De toe te passen rentevoet wordt berekend volgens de nationale wettelijke bepalingen, maar mag in geen geval lager zijn dan de rentevoet die geldt bij de terugvordering van bedragen op grond van nationale voorschriften.
4. De in lid 1 bedoelde terugbetalingsplicht is niet van toepassing indien de betaling is verricht als gevolg van een fout van de bevoegde instantie zelf of van een andere instantie en die fout redelijkerwijs niet kon worden ontdekt door het bedrijfshoofd.
Wanneer de fout evenwel betrekking heeft op feitelijke elementen die relevant zijn voor de berekening van de betrokken betaling, is de eerste alinea alleen van toepassing indien het besluit tot terugvordering niet binnen twaalf maanden na de betaling is meegedeeld.
5. De in lid 1 bedoelde terugbetalingsplicht is niet van toepassing indien tussen de datum van betaling van de steun en de datum waarop de begunstigde door de bevoegde instantie ervan in kennis wordt gesteld dat de steun ten onrechte is toegekend, meer dan tien jaar is verstreken.
De in de eerste alinea genoemde periode wordt echter tot vier jaar verkort wanneer de begunstigde te goeder trouw heeft gehandeld.
6. Terugvorderingen ten gevolge van overeenkomstig artikel 13 en titel IV toegepaste kortingen of uitsluitingen verjaren na vier jaar.
7. Het bepaalde in de leden 4 en 5 geldt niet met betrekking tot voorschotten.
8. De lidstaten kunnen afzien van terugvordering van bedragen van ten hoogste 100 EUR, rente niet inbegrepen, per bedrijfshoofd en per premieperiode, voor zover volgens het nationale recht in dergelijke gevallen geen terugvordering plaatsvindt.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- CBb 22 juni 2006, ECLI:NL:CBB:2006:AX9692
- CBb 25 februari 2014, ECLI:NL:CBB:2014:75
- CBb 25 mei 2011, ECLI:NL:CBB:2011:BQ6654
- CBb 8 december 2009, ECLI:NL:CBB:2009:BL4431
- CBb 26 augustus 2009, ECLI:NL:CBB:2009:BJ6735
- CBb 8 juli 2009, ECLI:NL:CBB:2009:BJ6468
- CBb 8 juli 2009, ECLI:NL:CBB:2009:BJ6462
- CBb 28 mei 2009, ECLI:NL:CBB:2009:BI9209
- CBb 31 oktober 2008, ECLI:NL:CBB:2008:BG4638
- CBb 27 augustus 2008, ECLI:NL:CBB:2008:BF1064
- CBb 24 juli 2008, ECLI:NL:CBB:2008:BE9667
- CBb 21 mei 2008, ECLI:NL:CBB:2008:BD2999
- CBb 22 juni 2007, ECLI:NL:CBB:2007:BA8643
- CBb 13 juni 2007, ECLI:NL:CBB:2007:BA8557
- CBb 8 mei 2007, ECLI:NL:CBB:2007:BA5392
- CBb 12 april 2007, ECLI:NL:CBB:2007:BA4862
- CBb 12 april 2007, ECLI:NL:CBB:2007:BA4859
- CBb 23 april 2007, ECLI:NL:CBB:2007:BA4736
- CBb 12 maart 2007, ECLI:NL:CBB:2007:BA0998
- CBb 10 januari 2007, ECLI:NL:CBB:2007:AZ9441