Art. 3

1. Elke lidstaat waarvan de waterwegen in verbinding staan met die van een andere lidstaat en waarvan de vloot een tonnage heeft van meer dan 100000 ton, hierna te noemen "de betrokken lidstaat", richt in het kader van zijn nationale wetgeving en met zijn eigen bestuurlijke middelen een "fonds voor de binnenvaart", hierna genoemd het "fonds", op.

2. Elk fonds wordt beheerd door de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat. Deze betrekt zijn nationale representatieve organisaties voor de binnenvaart bij dit beheer.

3. Elk fonds beschikt over een reservefonds dat drie afzonderlijke rekeningen omvat: één voor drogeladingschepen, één voor tankschepen en één voor duwboten.

Dat reservefonds wordt gestijfd met:

- uitsluitend uit de financiële bijdragen vanuit de bedrijfstak bestaande financiële overschotten van de tot en met 28 april 1999 georganiseerde structurele saneringsacties,

- de speciale bijdragen als bedoeld in artikel 4,

- de financiële middelen die ter beschiking kunnen worden gesteld in geval van ernstige verstoring van de markt, als bedoeld in artikel 7 van Richtlijn 96/75/EG.

4. Het reservefonds kan worden gebruikt in het kader van passende maatregelen als bedoeld in artikel 7 van Richtlijn 96/75/EG en met name in het kader van op het niveau van de Gemeenschap, volgens de bepalingen van lid 6 en van artikel 6, getroffen saneringsmaatregelen.

5. Het reservefonds kan worden gebruikt in het kader van maatregelen zoals die welke in artikel 8 worden bedoeld, indien de organisaties die de binnenvaart vertegenwoordigen dit unaniem vragen. In dat geval moeten de betrokken maatregelen onder een actie op Gemeenschapsniveau vallen.

6. De sloopfondsen zijn in financiële zin onderling solidair voor wat betreft de afzonderlijke rekeningen als bedoeld in lid 3, eerste alinea. Deze solidariteit treedt in werking bij alle uitgaven en alle in lid 3, tweede alinea, bedoelde middelen van de fondsen, teneinde gelijke behandeling voor alle onder deze verordening vallende vervoerders te waarborgen, onafhankelijk van de fondsen waaronder het schip ressorteert.

7. De betrokken lidstaten blijven het in artikel 3 van Verordening (EEG) nr. 1101/89 bedoelde fonds beheren totdat het in lid 1 bedoelde nieuwe fonds is opgericht.

Uitspraken die dit artikel aanhalen