Art. 6 Verordening (EG) nr. 2629/97
1. Het paspoort moet ten minste het volgende bevatten:
a) de informatie bedoeld in artikel 14, lid 3, punt C.1, eerste tot en met zevende streepje, van Richtlijn 64/432/EEG;
b) de informatie bedoeld in
- artikel 14, lid 3, punt C.2, tweede streepje, van Richtlijn 64/432/EEG,
- artikel 14, lid 3, punt C.2, eerste streepje, van Richtlijn 64/432/EEG, indien het gegevensbestand bedoeld in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 820/97 volledig operationeel is;
c) de handtekening van de houder(s), met uitzondering van de vervoerder. Wanneer het gegevensbestand volledig operationeel is, als bedoeld in artikel 6, lid 3, eerste streepje, van Verordening (EG) nr. 820/97, behoeft alleen de laatste houder zijn handtekening te plaatsen;
d) de naam van de instantie van afgifte;
e) de datum van afgifte van het paspoort.
2. Onverminderd hoofdstuk I, punt A.1, van de bijlage bij Richtlijn 91/628/EEG van de Raad (6) kunnen de lidstaten, voor het geval dat een kalf van minder dan vier weken oud wordt vervoerd, bepalen dat het dier vergezeld moet gaan van een voorlopig document van een door de bevoegde autoriteit erkend formaat, dat ten minste de in lid 1 bedoelde informatie bevat.
Het voorlopige document wordt afgegeven door de eerste houder van het kalf en wordt verder ingevuld door elke volgende houder, met uitzondering van de vervoerders. De houder legt het voorlopige document aan de bevoegde autoriteit voor, voordat het dier vier weken oud is, of, wanneer het dier dood gaat of wordt geslacht voordat het vier weken oud is, binnen zeven dagen. Wanneer het kalf na afloop van de termijn van vier weken nog in leven is, geeft de bevoegde autoriteit binnen 14 dagen na ontvangst van het voorlopige document een paspoort af. In het paspoort moeten alle in het voorlopige document vastgelegde verplaatsingen van het kalf worden opgenomen.
Met het voorlopige document mag een kalf ten hoogste tweemaal van een bedrijf naar een ander bedrijf worden vervoerd, op voorwaarde dat de navel is genezen. Voor dit lid geldt het vervoer tussen twee bedrijven via een markt of verzamelcentrum voor kalveren als één verplaatsing, op voorwaarde dat de markt of het verzamelcentrum voor kalveren op verzoek aan de bevoegde autoriteiten een volledig register kan overleggen van de transacties die in het kader van deze markt of dit verzamelcentrum hebben plaatsgevonden.
3. De termijn waarover iedere houder beschikt om van alle verplaatsingen, en van elke geboorte of sterfte van een dier overeenkomstig artikel 7, lid 1, tweede streepje, van Verordening (EG) nr. 820/97 kennis te geven, wordt door de lidstaat vastgesteld, maar is wat geboorten betreft niet langer dan 15 dagen, te rekenen vanaf de dag waarop het dier een oormerk krijgt, en vanaf 1 januari 2000, niet langer dan zeven dagen, te rekenen vanaf de dag waarop het dier een oormerk krijgt.