Art. 4
1. Alle dieren op een bedrijf die na 1 januari 1998 zijn geboren of na 1 januari 1998 zijn bestemd voor het intracommunautaire handelsverkeer, worden geïdentificeerd met een door de bevoegde autoriteit goedgekeurd merk in elk oor. De beide oormerken zijn voorzien van dezelfde identificatiecode aan de hand waarvan elk individueel dier kan worden geïdentificeerd en kan worden nagegaan op welk bedrijf het dier is geboren. In afwijking van het voorgaande mogen dieren, geboren vóór 1 januari 1998, die na die datum bestemd zijn voor het intracommunautaire handelsverkeer, tot 1 september 1998 overeenkomstig Richtlijn 92/102/EEG worden geïdentificeerd. Bovendien mogen in afwijking van het voorgaande dieren, geboren vóór 1 januari 1998, die na die datum bestemd zijn voor het intracommunautaire handelsverkeer met het oog op onmiddellijke slachting, tot 1 september 1999 overeenkomstig Richtlijn 92/102/EEG worden geïdentificeerd. Stieren bestemd voor culturele of sportieve evenementen (met uitzondering van beurzen en tentoonstellingen) mogen, in plaats van met een oormerk, worden geïdentificeerd volgens een door de Commissie erkend identificatiesysteem dat gelijkwaardige waarborgen biedt.
2. Het oormerk wordt aangebracht binnen een door de lidstaat te bepalen termijn vanaf de geboorte van het dier en in elk geval vóórdat het dier het bedrijf waarop het is geboren, verlaat. Deze termijn mag tot en met 31 december 1999 niet langer zijn dan 30 dagen en na die datum niet langer dan 20 dagen.
De Commissie kan evenwel op verzoek van een lidstaat overeenkomstig de in artikel 10 bedoelde procedure bepalen op grond van welke omstandigheden de lidstaten de maximumtermijn mogen verlengen.
Dieren geboren na 1 januari 1998 mogen slechts van een bedrijf worden afgevoerd indien zij overeenkomstig dit artikel zijn geïdentificeerd.
3. Een uit een derde land ingevoerd dier dat de bij Richtlijn 91/496/EEG vastgestelde controles heeft ondergaan en dat op het grondgebied van de Gemeenschap blijft, wordt door middel van een oormerk dat aan de in dit artikel vastgestelde eisen voldoet, op het bedrijf van bestemming geïdentificeerd binnen een door de lidstaat te bepalen termijn van ten hoogste 20 dagen nadat bovenbedoelde controles zijn verricht en in elk geval vóórdat het dier het bedrijf weer verlaat. Het dier behoeft evenwel niet te worden geïdentificeerd indien het bedrijf van bestemming een slachthuis is in de lidstaat waar de betrokken controles zijn verricht en waar het dier binnen 20 dagen na de controles wordt geslacht.
De oorspronkelijke identificatie door het derde land wordt geregistreerd in het in artikel 5 bedoelde gecomputeriseerd gegevensbestand of, indien dat nog niet volledig operationeel is, in de in artikel 3 bedoelde registers, samen met de door de lidstaat van bestemming toegekende identificatiecode.
4. Dieren uit een andere lidstaat behouden hun oorspronkelijke oormerk.
5. Oormerken mogen niet worden verwijderd of vervangen zonder toestemming van de bevoegde autoriteit.
6. De oormerken worden aan het bedrijf toegekend, verdeeld en bij de dieren aangebracht op de door de bevoegde autoriteit vastgestelde wijze.
7. Uiterlijk op 31 december 2000 neemt de Raad, op basis van een verslag en eventuele voorstellen van de Commissie, een besluit over de mogelijkheid om, met inachtneming van de vooruitgang terzake, in het kader van de identificatieregeling gebruik te maken van elektronische hulpmiddelen.