Art. 12 Verordening (EG) nr. 338/97, Plaats van binnenkomst en uitvoer
1. De Lid-Staten wijzen de douanekantoren aan waar de controles en formaliteiten worden vervuld voor het binnenbrengen in de Gemeenschap, ten behoeve van het verlenen van een douanebestemming overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 2913/92 tot vaststelling van het communautaire douanewetboek, en voor de uitvoer uit de Gemeenschap van specimens van onder deze verordening vallende soorten; zij geven tevens aan welke douanekantoren speciaal voor levende specimens zijn bestemd.
2. Alle krachtens lid 1 aangewezen kantoren worden voorzien van voldoende en deskundig personeel. De Lid-Staten zorgen ervoor dat adequate accommodatievoorzieningen beschikbaar zijn, overeenkomstig de bepalingen van de relevante communautaire wetgeving inzake het vervoer en het onderbrengen van levende dieren en, wanneer zulks nodig is, dat adequate voorzieningen voor levende planten worden getroffen.
3. Alle overeenkomstig lid 1 aangewezen kantoren worden meegedeeld aan de Commissie, die de lijst ervan publiceert in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.
4. In uitzonderlijke gevallen en overeenkomstig de volgens de procedure van artikel 18 vastgestelde criteria kan een administratieve instantie toestemming geven om de betrokken specimens via een ander douanekantoor dan die welke overeenkomstig lid 1 zijn aangewezen, in de Gemeenschap binnen te brengen, c. q. daaruit uit te voeren of weder uit te voeren.
5. De Lid-Staten zorgen ervoor dat het publiek bij de grenspost wordt geïnformeerd over de toepassingsbepalingen van deze verordening.