Art. 3 Verordening (EG) nr. 2200/96
1. De houder van produkten waarvoor normen zijn vastgesteld, mag die produkten binnen de Gemeenschap alleen te koop uitstallen, te koop aanbieden, verkopen, leveren of op enige andere wijze verhandelen indien zij aan die normen voldoen. De houder van het produkt is verantwoordelijk voor de naleving van deze bepaling.
De Lid-Staten kunnen evenwel bepalen dat de verplichting om te voldoen aan de normen of aan sommige bepalingen daarvan, niet geldt voor:
a) produkten die door de teler te koop worden uitgestald, te koop aangeboden, verkocht, geleverd, of op enige andere wijze verhandeld in de in het produktiegebied gelegen groothandelscentra, met name op de producentenmarkten;
b) produkten die van deze groothandelscentra naar in hetzelfde produktiegebied gelegen pakstations of bewaarinrichtingen onderweg zijn.
Bij toepassing van de tweede alinea stelt de betrokken Lid-Staat de Commissie hiervan in kennis en deelt hij haar de maatregelen mede die hij te dien einde heeft getroffen.
2. De verplichting om aan de normen te voldoen, geldt binnen het produktiegebied niet voor:
a) produkten die door de teler worden verkocht of geleverd aan pakstations of aan bewaarinrichtingen, of die van het bedrijf van de teler naar deze inrichtingen onderweg zijn;
b) produkten die van de bewaarinrichtingen naar pakstations onderweg zijn.
3. De verplichting om aan de normen te voldoen, geldt niet:
a) voor produkten die naar de be- of verwerkende bedrijven onderweg zijn, onder voorbehoud van eventuele vaststelling, volgens de procedure van artikel 46, van minimumkwaliteitscriteria voor produkten die voor industriële be- of verwerking bestemd zijn;
b) voor produkten die door de teler op zijn bedrijf aan de consument voor diens persoonlijke behoeften worden geleverd;
c) ingevolge een besluit van de Commissie dat op verzoek van een Lid-Staat wordt genomen volgens de procedure van artikel 46, voor produkten van een bepaald gebied die door de kleinhandel van dat gebied worden verkocht omdat zij aan een algemeen bekende lokale verbruikstraditie beantwoorden.
4. Het bewijs moet worden geleverd dat de in lid 2 en lid 3, onder a), bedoelde produkten aan de terzake geldende voorwaarden voldoen, met name ten aanzien van hun bestemming.