Art. 3

1. Ondernemingen die het beroep van wegvervoerder wensen uit te oefenen, moeten

a) betrouwbaar zijn,

b) over voldoende financiële draagkracht beschikken,

c) aan de voorwaarden van vakbekwaamheid voldoen.

Indien de kandidaat-wegvervoerder een natuurlijke persoon is die niet aan de voorwaarden van de eerste alinea, onder c), voldoet, kunnen de bevoegde autoriteiten hem niettemin toestemming verlenen tot uitoefening van het beroep van wegvervoerder, mits hij deze autoriteiten een andere persoon aanwijst die aan de voorwaarden van de eerste alinea, onder a) en c), voldoet en die de vervoeractiviteiten van de onderneming permanent en daadwerkelijk leidt.

Indien de kandidaat-wegvervoerder geen natuurlijke persoon is, wordt

- de in de eerste alinea, onder a), gestelde voorwaarde vervuld door de persoon of personen die de vervoeractiviteiten van de onderneming permanent en daadwerkelijk leidt, respectievelijk leiden. De Lid-Staten kunnen verlangen dat ook andere personen van de onderneming aan deze voorwaarde voldoen;

- aan de in de eerste alinea, onder c), gestelde voorwaarde voldaan door de persoon of een van de personen zoals bedoeld in het eerste streepje.

2. De Lid-Staten stellen de voorwaarden vast die de op hun grondgebied gevestigde ondernemingen moeten vervullen om aan de betrouwbaarheidsvoorwaarde te voldoen.

Zij bepalen dat aan deze voorwaarde niet of niet meer wordt voldaan, indien de natuurlijke persoon of personen die uit hoofde van lid 1 wordt of worden geacht daaraan te beantwoorden:

a) wegens een ernstige strafrechtelijke inbreuk is of zijn veroordeeld, waaronder inbreuken op commercieel gebied;

b) uit hoofde van de geldende voorschriften onbevoegd is of zijn verklaard om het beroep van wegvervoerder uit te oefenen;

c) veroordeeld is of zijn voor ernstige en herhaalde inbreuken op de geldende voorschriften:

- inzake de in het beroep geldende loon- en arbeidsvoorwaarden, of

- inzake het vervoer van goederen respectievelijk dat van personen over de weg, met name de regels inzake de rij- en rusttijden voor bestuurders, de afmetingen en gewichten van de bedrijfsvoertuigen, de verkeersveiligheid en de veiligheid van de voertuigen.

In de in de tweede alinea, onder a), b) en c), bedoelde gevallen geldt dat aan de betrouwbaarheidsvoorwaarde niet is voldaan zolang niet overeenkomstig de geldende nationale bepalingen ter zake een rehabilitatie of een andere maatregel van gelijk effect heeft plaatsgevonden.

3. a) Onder de voorwaarde van financiële draagkracht wordt verstaan het beschikken over toereikende financiële middelen om een goede start en een goed beheer van de onderneming te waarborgen.

b) Bij het beoordelen van de financiële draagkracht houden de bevoegde autoriteiten rekening met, in voorkomend geval, de jaarrekeningen van de onderneming; de beschikbare fondsen, met inbegrip van de liquide middelen op de bank; de overdispositie- en leningfaciliteiten; de activa, met inbegrip van goederen die beschikbaar zijn als zekerheid voor de onderneming; de kosten, met inbegrip van de aankoopprijs of de aanbetaling voor de aankoop van voertuigen, gebouwen, installaties en uitrusting; het werkkapitaal.

c) De onderneming moet beschikken over een kapitaal en reserves waarvan de waarde ten minste gelijk is aan:

- 3 000 ecu per gebruikt voertuig, of

- 150 ecu per ton toegestaan totaalgewicht van de door de onderneming gebruikte voertuigen voor goederenvervoer, of

- 150 ecu per zitplaats van de door de onderneming gebruikte voertuigen voor personenvervoer,

waarbij het in aanmerking te nemen bedrag datgene is dat voortvloeit uit de berekening met het laagste cijfer als uitkomst.

De Lid-Staten kunnen van de eerste alinea afwijken voor vervoerondernemingen die hun activiteiten uitsluitend in het kader van hun nationale markt uitoefenen.

d) Voor de toepassing van het bepaalde onder a), b) en c) kunnen de bevoegde autoriteiten als bewijs de bevestiging of de verzekering van een bank of een andere daartoe bevoegde instelling aanvaarden. Deze bevestiging of verzekering mag de vorm van een bankgarantie of enig ander soortgelijk middel hebben.

e) Het bepaalde onder b), c) en d) is slechts van toepassing op ondernemingen die krachtens de nationale voorschriften vanaf 1 januari 1990 in een Lid-Staat gemachtigd zijn het beroep van wegvervoerder uit te oefenen.

4. Aan de voorwaarde van vakbekwaamheid wordt voldaan door het bezit van kennis omtrent de in de lijst van bijlage I genoemde onderwerpen, welke kennis door de hiertoe door elke Lid-Staat aangewezen autoriteiten of instantie wordt vastgesteld aan de hand van een schriftelijk examen, dat uit meerkeuzevragen kan bestaan.

De Lid-Staten kunnen kandidaat-wegvervoerders die ten minste vijf jaar praktijkervaring in een leidende functie binnen een vervoeronderneming aantonen, van het examen vrijstellen.

De Lid-Staten kunnen houders van bepaalde, speciaal door de Lid-Staten daartoe aangewezen diploma's van hoger of van technisch onderwijs die een gedegen kennis omtrent de in de lijst van bijlage I genoemde onderwerpen impliceren, vrijstellen van de gedeelten van het examen waarop deze diploma's betrekking hebben.

Het bewijs van vakbekwaamheid wordt geleverd door overlegging van een verklaring die door de in de eerste alinea bedoelde autoriteiten of instantie is afgegeven.

Uitspraken die dit artikel aanhalen