Art. 26 Richtlijn 95/46/EG, Afwijkingen

Richtlijn 95/46/EG

1. In afwijking van artikel 25 en behoudens andersluidende bepalingen van hun nationale recht betreffende specifieke gevallen, bepalen de Lid-Staten dat een doorgifte of categorie doorgiften van persoonsgegevens naar een derde land dat geen waarborgen voor een passend beschermingsniveau in de zin van artikel 25, lid 2, biedt, mag plaatsvinden mits:

a) de betrokkene daarvoor zijn ondubbelzinnige toestemming heeft gegeven, of

b) de doorgifte noodzakelijk is voor de uitvoering van een overeenkomst tussen de betrokkene en de voor de verwerking verantwoordelijke of voor de uitvoering van op verzoek van de betrokkene genomen precontractuele maatregelen, of

c) de doorgifte noodzakelijk is voor de sluiting of de uitvoering van een in het belang van de betrokkene tussen de voor de verwerking verantwoordelijke en een derde gesloten of te sluiten overeenkomst, of

d) de doorgifte noodzakelijk of wettelijk verplicht is vanwege een zwaarwegend algemeen belang of voor de vaststelling, de uitoefening of de verdediging van een recht in rechte, of

e) de doorgifte noodzakelijk is ter vrijwaring van het vitale belang van de betrokkene, of

f) de doorgifte geschiedt vanuit een openbaar register dat krachtens wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen bedoeld is om het publiek voor te lichten en dat door een ieder dan wel door iedere persoon die zich op een gerechtvaardigd belang kan beroepen, kan worden geraadpleegd, voor zover in het betrokken geval is voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor raadpleging.

2. Onverminderd het bepaalde in lid 1 kan een Lid-Staat toestemming geven voor een doorgifte of een categorie doorgiften van persoonsgegevens naar een derde land dat geen waarborgen voor een passend beschermingsniveau in de zin van artikel 25, lid 2, biedt, indien de voor de verwerking verantwoordelijke voldoende waarborgen biedt ten aanzien van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de fundamentele rechten en vrijheden van personen, alsmede ten aanzien van de uitoefening van de daaraan verbonden rechten; deze waarborgen kunnen met name voortvloeien uit passende contractuele bepalingen.

3. De Lid-Staat stelt de Commissie en de overige Lid-Staten in kennis van de toestemmingen die hij op grond van lid 2 verleent.

Indien een andere Lid-Staat of de Commissie met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de fundamentele rechten en vrijheden van personen een naar behoren gemotiveerd verzet aantekent, stelt de Commissie passende maatregelen vast volgens de procedure van artikel 31, lid 2.

De Lid-Staten nemen de nodige maatregelen om zich naar het besluit van de Commissie te voegen.

4. Wanneer de Commissie volgens de in artikel 31, lid 2, bedoelde procedure besluit dat bepaalde modelcontractbepalingen voldoende waarborgen bieden in de zin van lid 2, nemen de Lid-Staten de nodige maatregelen om zich naar het besluit van de Commissie te voegen.