Art. 131 Verordening (EG) nr. 40/94, Onafhankelijkheid van de leden van de kamers van beroep
1. De leden van de kamers van beroep, met inbegrip van de voorzitters worden overeenkomstig de in artikel 120 genoemde procedure voor de benoeming van de voorzitter van het Bureau, benoemd voor een periode van vijf jaar. Zij kunnen in deze periode niet van hun functie worden ontheven, tenzij daarvoor ernstige redenen bestaan en het Hof van Justitie op verzoek van de instantie die hen heeft benoemd daartoe heeft beslist. Zij kunnen opnieuw worden benoemd.
2. De leden van de kamers zijn onafhankelijk. Bij hun beslissingen zijn zij aan geen enkele aanwijzing gebonden.
3. De leden van de kamers mogen geen onderzoeker zijn of lid van een oppositieafdeling, van de afdeling merkenadministratie en juridische aangelegenheden of van een nietigheidsafdeling.