Art. 185 Verordening (EEG) nr. 2454/93
1. Wanneer de in artikel 51, lid 1, van het Wetboek bedoelde plaatsen permanent zijn goedgekeurd voor de tijdelijke opslag van goederen, worden deze plaatsen "ruimten voor tijdelijke opslag" genoemd.
2. Ten einde de toepassing van de douanevoorschriften te verzekeren, kunnen de douaneautoriteiten, wanneer zij niet zelf de ruimte voor tijdelijke opslag beheren, eisen dat:
a) de ruimte voor tijdelijke opslag met twee sleutels wordt afgesloten, waarvan één in het bezit van de douaneautoriteiten blijft;
b) de persoon die de ruimte voor tijdelijke opslag beheert, een voorraadadministratie voert aan de hand waarvan de goederenbewegingen kunnen worden gevolgd.