Art. 13 Verordening (EEG) nr. 2019/93
1. In afwijking van de artikelen 5, 6, 7, 10 en 19 van Verordening (EEG) nr. 2328/91 van de Raad van 15 juli 1991 betreffende de verbetering van de doeltreffendheid van de landbouwstructuur (15), wordt de investeringssteun aan landbouwbedrijven op de kleinere eilanden toegekend onder de volgende voorwaarden:
a) in afwijking van artikel 5, lid 1, onder a), kan de bij de artikelen 5 tot en met 9 van die verordening ingestelde investeringssteunregeling op de kleinere eilanden worden toegepast voor enerzijds bedrijfshoofden die de landbouw niet als hoofdberoep beoefenen maar ten minste 25 % van hun totale inkomen uit de landbouwactiviteit op het bedrijf halen, en anderzijds bedrijfshoofden op wier bedrijf niet meer dan het equivalent van één volwaardige arbeidskracht (VAK) nodig is en voor zover de investeringen niet meer dan 25 000 ecu bedragen; met uitzondering van de plaatselijke specialiteiten, moet de hele levensmiddelenproduktie voor plaatselijk verbruik zijn bestemd;
b) de machtiging tot het voeren van een vereenvoudigde boekhouding als bedoeld in artikel 5, lid 1, onder d), is van toepassing;
c) voor de varkenshouderij op de gezinsbedrijven zijn de voorwaarden van artikel 6, lid 4, niet van toepassing; in de in de laatste alinea van genoemd lid gestelde voorwaarde, dat na uitvoering van het plan ten minste het equivalent van 35 % van het door de varkens verbruikte voeder op het bedrijf kan worden geproduceerd, wordt evenwel dit percentage van 35 vervangen door 10;
d) voor de produktie van eieren en slachtpluimvee is het in artikel 6, lid 6, bedoelde verbod niet van toepassing voor gezinsbedrijven;
e) in afwijking van artikel 7, lid 2, onder a) en b), bedraagt de maximale investeringssteun 55 %, zowel voor investeringen in vastgoed als voor andere investeringen.
De bepalingen onder c), d) en e) van het onderhavige artikel zijn slechts van toepassing voor zover de wijze waarop de veehouderij wordt beoefend, verenigbaar is met het welzijn van de dieren en de bescherming van het milieu en op voorwaarde dat de produktie uitsluitend voor de markt van de kleinere eilanden bestemd is.
2. Voor de vestiging van jonge landbouwers is de in artikel 10, lid 1, laatste streepje, van Verordening (EEG) nr. 2328/91 bedoelde voorwaarde niet van toepassing.
3. In afwijking van artikel 19, lid 1, onder a), van Verordening (EEG) nr. 2328/91 kan, wanneer het de rundveehouderij betreft, de in artikel 17 van die verordening bedoelde compenserende vergoeding op 180,5 ecu per GVE worden gebracht, waarbij voor 1993 per bedrijf een maximumbedrag van 3 540 ecu niet mag worden overschreden; dit bedrag kan worden bijgesteld volgens de procedure van artikel 29 van Verordening (EEG) nr. 4253/88 (16).
4. In afwijking van artikel 19, lid 1, onder b), iii), van Verordening (EEG) nr. 2328/91 mag de in artikel 17 van die verordening bedoelde compenserende vergoeding op de kleinere eilanden voor alle vormen van plantaardige produktie worden verleend, voor zover de produktie plaatsvindt op een wijze die verenigbaar is met de bescherming van het milieu en daarbij voor 1993 per bedrijf een maximumbedrag van 3 540 ecu niet wordt overschreden; dit bedrag kan worden bijgesteld volgens de procedure van artikel 29 van Verordening (EEG) nr. 4253/88.
Bovendien mogen in alle op de kleinere eilanden gelegen gebieden in de zin van artikel 3, leden 4 en 5, van Richtlijn 75/268/EEG van de Raad van 28 april 1975 betreffende de landbouw in de bergstreken en in sommige probleemgebieden (17), tot twintig koeien waarvan de melk voor de markt van dit gebied bestemd is, voor de berekening van de compenserende vergoeding in aanmerking worden genomen.
5. Volgens de procedure van artikel 29 van Verordening (EEG) nr. 4253/88:
1. stelt de Commissie de voorwaarden voor de toepassing van dit artikel vast;
2. kan de Commissie op een met redenen omkleed verzoek van de bevoegde instanties besluiten voor de kleinere eilanden af te wijken van artikel 17, lid 3, tweede streepje, van die verordening, om voor op verbetering van de levensomstandigheden van de inwoners gerichte investeringen in bepaalde sectoren van de verwerking en afzet van landbouwprodukten een bijdrage van de Gemeenschap te kunnen verlenen die hoger is dan het daarin vastgestelde maximum.