Art. 2
In deze richtlijn wordt verstaan onder:
1. slachthuis: elke inrichting of installatie, met inbegrip van voorzieningen voor het verplaatsen of onderbrengen van dieren, die wordt gebruikt voor het commercieel slachten van de in artikel 5, lid 1, genoemde dieren;
2. verplaatsen: het uitladen van dieren of het drijven van dieren van de bij het slachthuis behorende losplaatsen, stallen of hokken naar de lokalen of plaatsen waar zij zullen worden geslacht;
3. onderbrengen: het houden en in voorkomend geval het op passende wijze verzorgen (water, voeder, rust) van dieren in door een slachthuis gebruikte stallen, hokken, overdekte plaatsen of weiden, voordat zij worden geslacht;
4. fixeren: het toepassen op een dier van iedere methode die erop is gericht de bewegingen van het dier te beperken ten einde het doeltreffend bedwelmen of doden te vergemakkelijken;
5. bedwelmen: iedere methode die, bij toepassing op een dier, dit dier onmiddellijk brengt in een staat van bewusteloosheid die aanhoudt totdat de dood is ingetreden;
6. doden: iedere methode die resulteert in de dood van een dier;
7. slachten: het doden van een dier door verbloeding;
8. bevoegde autoriteit: de voor het verrichten van veterinaire controles bevoegde centrale autoriteit van een Lid-Staat of een autoriteit waaraan zij deze bevoegdheid heeft overgedragen.
De religieuze instantie van de Lid-Staat waarvoor slachtingen worden verricht is evenwel bevoegd voor de toepassing van en het toezicht op de specifieke bepalingen die gelden voor het slachten volgens de methoden die vereist zijn voor bepaalde religieuze riten. Voor de toepassing van genoemde bepalingen werkt deze autoriteit onder de verantwoordelijkheid van de officiële dierenarts als omschreven in artikel 2 van Richtlijn 64/433/EEG.