Art. 3 Richtlijn 93/37/EEG
1. Wanneer de aanbestedende diensten een concessieovereenkomst voor openbare werken sluiten, zijn de in artikel 11, leden 3, 6, 7 en 9 tot en met 13, en in artikel 15 bepaalde voorschriften inzake bekendmaking op deze overeenkomst van toepassing wanneer de waarde daarvan gelijk is aan of meer bedraagt dan 5 000 000 ecu.
2. De aanbestedende dienst kan:
- hetzij de concessiehouder van openbare werken verplichten om opdrachten van ten minste 30 % van de totale waarde van de werken waarvoor een concessie wordt verleend, aan derden uit te besteden, met dien verstande dat de mogelijkheid wordt opengelaten dat de gegadigden dit percentage verhogen. Dit minimumpercentage dient in de concessieovereenkomst voor openbare werken te worden vermeld;
- hetzij de gegadigden voor de concessie verzoeken zelf in hun aanbiedingen aan te geven welk percentage van de totale waarde van de werken waarvoor de concessie wordt verleend, zij in voorkomend geval aan derden denken uit te besteden.
3. Wanneer de concessiehouder zelf een van de in artikel 1, onder b), bedoelde aanbestedende diensten is, is deze gehouden om ten aanzien van de door derden uit te voeren werken de bepalingen van deze richtlijn in acht te nemen.
4. De Lid-Staten nemen de nodige maatregelen opdat de concessiehouders van openbare werken die geen aanbestedende diensten zijn, de in artikel 11, leden 4, 6, 7 en 9 tot en met 13, alsmede de in artikel 16 bepaalde voorschriften inzake bekendmaking toepassen bij de plaatsing van opdrachten voor de uitvoering van werken bij derden, wanneer de waarde van deze opdrachten gelijk is aan of meer bedraagt dan 5 000 000 ecu. Bekendmaking is echter niet vereist wanneer een opdracht voor de uitvoering van werken aan de in artikel 7, lid 3, genoemde voorwaarden voldoet.
Als derden worden niet beschouwd ondernemingen die een consortium hebben gevormd om de concessie te verwerven of ondernemingen die met deze ondernemingen zijn verbonden.
Onder "verbonden onderneming" wordt verstaan: elke onderneming waarop de concessiehouder direct of indirect een overheersende invloed kan uitoefenen, of elke onderneming die een overheersende invloed kan uitoefenen op de concessiehouder of die, te zamen met de concessiehouder, onderworpen is aan de overheersende invloed van een andere onderneming uit hoofde van eigendom, financiële deelneming of op haar van toepassing zijnde voorschriften. Het vermoeden van overheersende invloed bestaat wanneer een onderneming, direct of indirect, ten opzichte van een andere onderneming:
- de meerderheid van het geplaatste kapitaal van de onderneming bezit, of
- beschikt over de meerderheid van de stemmen die verbonden zijn aan de door de onderneming uitgegeven aandelen, of
- meer dan de helft van de leden van het bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan van de onderneming kan aanwijzen.
Bij de concessieaanvragen dient een volledige lijst van deze ondernemingen te worden gevoegd. Deze lijst wordt bijgewerkt naar gelang van latere wijzigingen in de bindingen tussen de ondernemingen.