Art. 64 Verordening (EEG) nr. 2913/92
1. Behoudens artikel 5 kan de douaneaangifte worden gedaan door elke persoon die in staat is de goederen bij de douane aan te brengen of te doen aanbrengen en die alle bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de toepassing van de bepalingen die gelden voor de douaneregeling waarvoor deze goederen zijn aangegeven.
2. Voorwaarde is evenwel dat:
a) indien de aanvaarding van een douaneaangifte bijzondere verplichtingen voor een bepaalde persoon met zich brengt, de aangifte door deze persoon of voor diens rekening wordt gedaan;
b) de aangever in de Gemeenschap is gevestigd.
De voorwaarde onder b) geldt evenwel niet voor personen die:
- een aangifte voor douanevervoer of tot tijdelijke invoer doen;
- incidenteel goederen aangeven, voor zover de bevoegde autoriteiten zulks gerechtvaardigd achten.
3. Het bepaalde in lid 2, onder b), vormt geen beletsel voor de toepassing door de Lid-Staten van met derde landen gesloten bilaterale overeenkomsten of van gebruikelijke handelwijzen met een soortgelijke uitwerking op grond waarvan de ingezetenen van de betrokken landen op het grondgebied van die Lid-Staten douaneaangiften kunnen doen, mits wederkerigheid geldt.