Art. 3, Onderzoek en beoordeling van de eigenschappen van stoffen

1. De in het kader van deze richtlijn uitgevoerde proeven op chemische stoffen worden doorgaans uitgevoerd volgens de in bijlage V omschreven methodes. De fysisch-chemische eigenschappen van de stoffen worden vastgesteld volgens de in bijlage V A genoemde methodes; hun toxiciteit wordt bepaald volgens de in bijlage V B genoemde methodes en hun ecotoxiciteit volgens de in bijlage V C genoemde methodes.

Het kan echter voorkomen dat voor sommige stoffen die zijn opgenomen in Einecs gegevens zijn verkregen tijdens proeven volgens andere dan de in bijlage V omschreven methodes. Rekening houdend met onder andere de noodzaak de proeven met gewervelde dieren tot het minimum te beperken zal per geval worden bepaald of deze gegevens volstaan, gelet op de eisen betreffende de indeling en het kenmerken, dan wel of aanvullende proeven overeenkomstig bijlage V moeten worden verricht.

De laboratoriumproeven moeten worden uitgevoerd overeenkomstig de bij Richtlijn 87/18/EEG vastgestelde beginselen van goede laboratoriumpraktijken en de bepalingen van Richtlijn 86/609/EEG.

2. Het feitelijke of potentiële gevaar voor mens en milieu wordt aan de hand van de vastgestelde beginselen vóór 30 april 1993 beoordeeld, volgens de procedure van artikel 29, lid 4, onder b). Deze beginselen worden regelmatig opnieuw besproken en zo nodig volgens dezelfde procedure herzien.

Uitspraken die dit artikel aanhalen