Art. 1 Richtlijn 92/13/EEG
1. De Lid-Staten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat tegen door de aanbestedende diensten genomen besluiten doeltreffend en vooral zo snel mogelijk beroep kan worden ingesteld overeenkomstig het bepaalde in de volgende artikelen, met name artikel 2, lid 8, op grond van het feit dat door die besluiten het Gemeenschapsrecht inzake aanbestedingen of de nationale voorschriften waarin dat Gemeenschapsrecht is omgezet, geschonden zijn, voor wat betreft:
a) de procedures voor het plaatsen van opdrachten die vallen onder de werkingssfeer van Richtlijn 90/531/EEG; en
b) de inachtneming van artikel 3, lid 2, onder a), van die richtlijn ten aanzien van de aanbestedende diensten waarop die bepaling van toepassing is.
2. De Lid-Staten zien erop toe dat ondernemingen die een eis wegens in het kader van een procedure voor het plaatsen van opdrachten geleden schade willen indienen, niet worden gediscrimineerd op grond van het in deze richtlijn gemaakte onderscheid tussen nationale voorschriften waarin het Gemeenschapsrecht is omgezet, en andere nationale voorschriften.
3. De Lid-Staten dragen er zorg voor dat de beroepsprocedures, volgens modaliteiten die de Lid-Staten kunnen bepalen, op zijn minst toegankelijk zijn voor een ieder die belang heeft of heeft gehad bij de gunning van een bepaalde opdracht en die door een beweerde inbreuk is of dreigt te worden gelaedeerd. Met name kunnen de Lid-Staten verlangen dat degene die van deze procedure gebruik wenst te maken, de aanbestedende dienst vooraf in kennis heeft gesteld van de beweerde inbreuk en van zijn voornemen om beroep in te stellen.