Art. 10 Verordening (EEG) nr. 1538/91

Verordening (EEG) nr. 1538/91

1. In de etikettering als bedoeld in artikel 1, lid 3, punt a), van Richtlijn 79/112/EEG mag ter aanduiding van het houderijsysteem, met uitzondering van de biologische landbouw, slechts gebruik worden gemaakt van de hierna vastgestelde en, met de overeenkomstige term in de andere talen van de Gemeenschap, in de lijst in bijlage III opgenomen benamingen en vermeldingen, voor zover aan de desbetreffende, in bijlage IV vastgestelde voorwaarden is voldaan :

a) "gevoerd met . . . % . . .",

b) "scharrel . . .",

c) "scharrel . . . met uitloop",

d) "boerderij . . . met uitloop" / "hoeve . . . met uitloop",

e) "boerderij . . . met vrije uitloop" / "hoeve . . . met vrije uitloop ".

Deze benamingen en vermeldingen mogen worden aangevuld met verwijzingen naar de bijzondere kenmerken van de verschillende houderijsystemen .

2. De leeftijd bij het slachten of de duur van de mestperiode mogen slechts worden vermeld indien een van de in lid 1 vastgestelde benamingen of vermeldingen wordt gebruikt en de kuikens ten minste de leeftijd hebben die is aangegeven in bijlage IV, punten b ), c ) of d ). Deze bepaling geldt evenwel niet voor piepkuikens .

3. Deze bepalingen gelden onverminderd nationale technische maatregelen die verder reiken dan de in bijlage IV vastgestelde minimumvoorwaarden en slechts van toepassing zijn voor de producenten van de betrokken Lid-Staat, voor zover de betrokken maatregelen verenigbaar zijn met het Gemeenschapsrecht en beantwoorden aan de gemeenschappelijke handelsnormen voor vlees van pluimvee .

4. De in lid 3 bedoelde nationale maatregelen worden aan de Commissie medegedeeld .

5. Op verzoek van de Commissie verstrekken de Lid-Staten te allen tijde alle nodige inlichtingen om na te gaan of de in dit artikel bedoelde maatregelen verenigbaar zijn met het Gemeenschapsrecht en aan de gemeenschappelijke handelsnormen voor vlees van pluimvee beantwoorden . Artikel 11

1. Slachterijen die de in artikel 10 hierboven bedoelde benamingen en vermeldingen mogen gebruiken, worden apart geregistreerd . Zij moeten per houderijsysteem een afzonderlijk register bijhouden waarin zijn opgenomen :

- de namen en adressen van de pluimveeproducenten, die na controle door de bevoegde autoriteit van de Lid-Staat worden geregistreerd,

- op verzoek van deze autoriteit, het aantal dieren dat elke producent per produktieronde houdt .

2. Bovenbedoelde producenten moet vervolgens geregeld worden gecontroleerd . Zij moeten een doorlopend register van het aantal dieren per houderijsysteem bijhouden, met vermelding van het aantal verkochte dieren en de naam van de kopers .

3. Geregelde controles op de naleving van het bepaalde in de artikelen 10 en 11 moeten worden verricht in :

- het mestbedrijf : ten minste éénmaal per produktieronde;

- het voederbedrijf : ten minste éénmaal per gebruikt voedermengsel, en in elk geval ten minste éénmaal per jaar;

- de slachterij : ten minste viermaal per jaar;

- de broederij : ten minste éénmaal per jaar voor de in artikel 10, lid 1, punten d ) en e ), genoemde houderijsystemen .

4. Elke Lid-Staat stelt de andere Lid-Staten en de Commissie vóór 1 juli 1991 in het bezit van een lijst van de erkende slachterijen die overeenkomstig lid 1 zijn geregistreerd, met vermelding van de naam en het adres en het erkenningsnummer van elke slachterij . Elke wijziging in die lijst wordt bij het begin van elk kalenderkwartaal aan de andere Lid-Staten en aan de Commissie medegedeeld . Artikel 12

In geval van controle op de aanduiding van het gebruikte houderijsysteem als bedoeld in artikel 5, lid 6, tweede alinea, van Verordening ( EEG ) nr . 1906/90, moeten de door de Lid-Staten aangewezen instanties voldoen aan de voorwaarden die zijn vastgesteld bij Europese Norm nr . EN/45011 van 26 juni 1989, en moeten zij door de bevoegde autoriteiten van de betrokken Lid-Staat als zodanig zijn erkend en worden gecontroleerd . Artikel 13

Uit derde landen ingevoerd vlees van pluimvee mag van een of meer van de in de artikelen 9 en 10 vastgestelde vermeldingen en aanduidingen voorzien zijn, indien het vergezeld gaat van een door de bevoegde autoriteit van het land van oorsprong afgegeven certificaat waarin wordt verklaard dat de betrokken produkten aan de desbetreffende bepalingen van deze verordening voldoen .

Indien een derde land daarom verzoekt, stelt de Commissie een lijst op van die autoriteiten . Artikel 14

De benamingen van produkten en de andere vermeldingen en aanduidingen als bedoeld in deze verordening, moeten worden aangebracht in ten minste de taal of de talen van de Lid-Staat waar de produkten in de detailhandel worden gebracht of op een andere manier worden gebruikt . Artikel 15

Deze verordening treedt in werking op 20 juni 1991 . Zij is van toepassing met ingang van 1 juli 1991 .

Tot en met 31 december 1991 mogen handelaren evenwel onder deze verordening vallende produkten verpakken in verpakkingsmateriaal waarop de vermeldingen en aanduidingen zijn aangebracht overeenkomstig de vóór de inwerkingtreding van deze verordening geldende communautaire of nationale wetgeving . Deze produkten mogen nog tot en met 31 december 1992 in de handel worden gebracht . Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat .

Uitspraken die dit artikel aanhalen