Art. 1 Richtlijn 91/477/EEG
1. In de zin van deze richtlijn worden onder "wapens" en "vuurwapens" de in bijlage I omschreven voorwerpen verstaan. Vuurwapens worden onderverdeeld en omschreven in punt II van de bijlage.
2. In de zin van deze richtlijn wordt onder "wapenhandelaar" verstaan iedere natuurlijke of rechtspersoon wiens beroepswerkzaamheden geheel of ten dele bestaan uit de vervaardiging, handel, uitwisseling, verhuur, reparatie of transformatie van vuurwapens.
3. Voor de toepassing van deze richtlijn wordt een persoon beschouwd ingezetene te zijn van het land dat is vermeld in het adres op een bewijs van verblijf, met name een paspoort of een identiteitskaart, welk bewijs bij controle op het voorhanden hebben of bij de verwerving aan de autoriteiten van een Lid-Staat of aan een wapenhandelaar wordt overgelegd.
4. De Europese vuurwapenpas is een document dat door de autoriteiten van de Lid-Staten aan een persoon die wettig houder en gebruiker van een vuurwapen wordt, op diens verzoek wordt afgegeven. De vuurwapenpas is ten hoogste vijf jaar geldig. Deze geldigheidsduur kan worden verlengd. Indien alleen vuurwapens van categorie D in de pas vermeld staan, is deze ten hoogste tien jaar geldig. In de vuurwapenpas worden de in bijlage II voorgeschreven vermeldingen opgenomen. De Europese wapenpas is een persoonlijk document waarin het vuurwapen of de vuurwapens die de houder van de pas voorhanden heeft en gebruikt, is of zijn vermeld. De pas dient steeds in het bezit te zijn van de gebruiker van het vuurwapen. Wijzigingen in het voorhanden hebben of de kenmerken van het vuurwapen alsmede verlies of diefstal van het vuurwapen worden in de pas vermeld.