Art. 2 Richtlijn 91/414/EEG
In deze richtlijn wordt verstaan onder:
1.
Gewasbeschermingsmiddelen
Werkzame stoffen en één of meer werkzame stoffen bevattende preparaten, in de vorm waarin zij aan de gebruiker worden geleverd en bestemd om:
(;) PB nr. L 206 van 29. 7. 1978, blz. 13.
($) PB nr. L 144 van 30. 5. 1984, blz. 1.
(=) PB nr. 196 van 16. 8. 1967, blz. 1.
(%) PB nr. L 287 van 19. 10. 1990, blz. 37.
(& ) Van deze richtlijn is op 26 juli 1991 kennis gegeven aan de Lid-Staten.
(() PB nr. L 155 van 22. 6. 1988, blz. 2.
1.1.
planten of plantaardige produkten te beschermen tegen alle schadelijke organismen of de werking van dergelijke organismen te voorkomen, voor zover die stoffen of preparaten hierna niet anders worden gedefinieerd;
1.2.
de levensprocessen van planten te beïnvloeden, voor zover het niet gaat om nutritieve stoffen (bij voorbeeld groeiregulatoren);
1.3.
plantaardige produkten te bewaren, voor zover die stoffen of produkten niet onder bijzondere bepalingen van de Raad of van de Commissie inzake bewaarmiddelen vallen;
1.4.
ongewenste planten te doden, of
1.5.
delen van planten te vernietigen of een ongewenste groei van planten af te remmen of te voorkomen.
2.
Residuen van gewasbeschermingsmiddelen
Eén of meer werkzame stoffen die als reststoffen ten gevolge van het gebruik van een gewasbeschermingsmiddel in of op planten of produkten van plantaardige oorsprong, eetbare dierlijke produkten, of elders in het milieu aanwezig zijn, met inbegrip van de metabolieten en de produkten die bij de afbraak of de reactie vrijkomen.
3.
Stoffen
Chemische elementen of verbindingen daarvan, zoals die in de natuur voorkomen of zoals die industrieel worden vervaardigd, met inbegrip van alle verontreinigingen die onvermijdelijk bij het fabricageproces ontstaan.
4.
Werkzame stoffen
Stoffen of micro-organismen, met inbegrip van virussen, met een algemene of specifieke werking:
4.1.
tegen schadelijke organismen, of
4.2.
op planten, delen van planten of plantaardige produkten.
5.
Preparaten
Mengsels of oplossingen bestaande uit twee of meer stoffen, waarvan ten minste één een werkzame stof is, en die voor gebruik als gewasbeschermingsmiddel zijn bestemd.
6.
Planten
Levende planten en levende delen van planten, met inbegrip van vers fruit en zaden.
7.
Plantaardige produkten
Van planten afkomstige produkten, die geen of slechts eenvoudige bewerkingen, zoals malen, drogen of persen hebben ondergaan, voor zover het geen planten zijn in de zin van punt 6.
8.
Schadelijke organismen
Organismen van het dieren- of plantenrijk en virussen, bacteriën, mycoplasma's of andere pathogenen die aan planten of plantaardige produkten schade kunnen veroorzaken.
9.
Dieren
Dieren behorende tot soorten die gewoonlijk door de mens worden gevoed en gehouden dan wel door de mens worden geconsumeerd.
10.
Op de markt brengen
Iedere levering, al dan niet tegen betaling, met uitzondering van leveringen voor opslag en daaropvolgende verzending buiten het grondgebied van de Gemeenschap. Invoer op het grondgebied van de Gemeenschap wordt in het kader van deze richtlijn als op de markt brengen aangemerkt.
11.
Toelating van een gewasbeschermingsmiddel
Bestuursrechtelijk besluit waarmee de bevoegde instantie van een Lid-Staat, ingevolge een door een aanvrager ingediende aanvraag, toelaat dat een gewasbeschermingsmiddel op zijn grondgebied of een gedeelte daarvan op de markt wordt gebracht.
12.
Milieu
Water, lucht, bodem en wilde soorten van dieren en planten alsmede hun onderlinge relatie en hun relatie met levende organismen.
13.
Geïntegreerde bestrijding
De rationele toepassing van een combinatie van biologische, biotechnologische, chemische en fysieke bestrijding, teelt- of gewasveredelingsmaatregelen, waarbij het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen wordt beperkt tot het strikte minimum dat noodzakelijk is om populaties van schadelijke organismen onder de niveaus te houden waarbij in economisch opzicht onaanvaardbare schade of verliezen optreden.
Algemene bepalingen