Art. 5

1. Om deze verordening te doen naleven, voeren de Lid-Staten ter plaatse onaangekondigde controles uit die zijn afgestemd op het produktieprogramma van het bedrijf. Er dient ten minste één controle per zeven produktiedagen te worden uitgevoerd.

Bij de controles worden monsters genomen van elke vervaardigde partij. De controles hebben met name betrekking op de produktieomstandigheden, de hoeveelheid en de samenstelling van de vervaardigde caseïne en caseïnaten.

2. De in lid 1 bedoelde controles worden periodiek aangevuld, naar gelang van de vervaardigde hoeveelheden caseïne en caseïnaten, met een grondig onderzoek en steekproeven om de gegevens in de steunaanvraag en de in artikel 4 bedoelde maandstaat enerzijds te vergelijken met de betrokken handelsdocumenten en de fysieke voorraden anderzijds.

De controles moeten betrekking hebben op ten minste 25 % van de totale hoeveelheid waarvoor steunaanvragen worden ingediend. Elk bedrijf moet ten minste éénmaal per halfjaar worden gecontroleerd.

3. Bij

a) significante onregelmatigheden in 5 % of meer van de gecontroleerde gevallen,

b) significante verschillen ten opzichte van de vroegere activiteit van de begunstig

intensiveren de Lid-Staten de in lid 2 bedoelde controles en brengen zij de Commissie onverwijld op de hoogte.

4. De Lid-Staten vorderen de ten onrechte bepaalde bedragen, vermeerderd met rente, terug. De rente wordt bepaald overeenkomstig artikel 3 of artikel 4 van Verordening (EEG) nr. 411/88 van de Commissie (1) en loopt vanaf de datum van uitkering van de steun.

5. Behoudens overmacht, wordt de steun, wanneer het gevraagde of uitbetaalde bedrag hoger is dan het bedrag waarop krachtens deze verordening werkelijk aanspraak kan worden gemaakt,

- verminderd met 15 % wanneer het verschil minder dan 8 % bedraagt, en met 50 % wanneer het verschil van 8 tot en met 20 % bedraagt. Wanneer de steun reeds is uitgekeerd, moet 15 % of 50 % van het bedrag worden terugbetaald;

- niet uitbetaald, of moet hij worden terugbetaald, wanneer het verschil meer dan 20 % bedraagt.

6. Wanneer bij de controle blijkt dat het in lid 5 bedoelde verschil het gevolg is van het feit dat in de aanvraag doelbewust of door grove nalatigheid onjuiste gegevens zijn verstrekt, komt de aanvrager niet voor de steun in aanmerking in de zes maanden na de datum waarop hem van de uitsluiting kennis wordt gegeven.

Uitspraken die dit artikel aanhalen