Art. 12 Richtlijn 90/531/EEG
1. Deze richtlijn is van toepassing op opdrachten waarvan de geraamde waarde zonder BTW gelijk is aan of meer bedraagt dan
a)400 000 ecu voor opdrachten voor leveringen geplaatst door diensten die een activiteit verrichten als omschreven in artikel 2, lid 2, onder a), b) en c);
b)600 000 ecu voor opdrachten voor leveringen geplaatst door diensten die een activiteit verrichten als omschreven in artikel 2, lid 2, onder d);
c)5 000 000 ecu voor opdrachten voor de uitvoering van werken.
2. In geval van opdrachten voor leveringen die betrekking hebben op leasing, huur of huurkoop, wordt de waarde van de opdracht berekend op de volgende grondslag:
a)indien het gaat om overeenkomsten met een vaste looptijd: de totale geraamde waarde voor de gehele looptijd wanneer die twaalf maanden of minder bedraagt, dan wel de totale waarde met inbegrip van de geraamde residuwaarde wanneer de looptijd meer dan twaalf maanden bedraagt;
b)indien het gaat om overeenkomsten voor onbepaalde duur of indien er twijfel over de looptijd van de overeenkomst bestaat: het verwachte totaalbedrag van de tijdens de eerste vier jaar te verrichten betalingen.
3. Indien in een voorgenomen opdracht voor leveringen optiebedingen worden vermeld, dient het hoogst toelaatbare bedrag voor aankoop, leasing, huur of huurkoop, inclusief de optiebedingen, als grondslag te worden genomen voor de berekening van de waarde van de opdracht.
4. Indien het gaat om een verwerving van leveringen voor een bepaalde periode door middel van een reeks opdrachten die aan een of meer leveranciers zullen worden gegund of van vervolgopdrachten, dient de waarde van de opdracht te worden berekend op basis van of wel:
a)de totale waarde van de opdrachten die tijdens het voorafgaande boekjaar of de voorafgaande twaalf maanden zijn geplaatst en soortgelijke kenmerken vertoonden, indien mogelijk gecorrigeerd op grond van verwachte wijzigingen in hoeveelheid of waarde gedurende de volgende twaalf maanden;
b)de samengetelde waarde van de opdrachten die zullen worden geplaatst tijdens de twaalf maanden volgende op de gunning van de eerste opdracht, of tijdens de hele looptijd van de opdracht, indien deze langer is dan twaalf maanden.
5. De waarde van een raamovereenkomst dient te worden berekend aan de hand van de geraamde maximumwaarde van het geheel van de voor de betrokken periode beoogde opdrachten.
6. De berekening van de waarde van een opdracht voor de uitvoering van werken moet, met het oog op de toepassing van lid 1, worden gebaseerd op de totale waarde van het werk. Onder werk wordt verstaan het resultaat van een geheel van werkzaamheden van de bouwnijverheid of de water- en wegenbouw dat een zelfstandige economische functie zal moeten vervullen.
Wanneer met name een levering of een werk in meerdere percelen is verdeeld, moet de waarde van elk perceel in aanmerking worden genomen bij het bepalen van de in lid 1 bedoelde waarde. Wanneer de samengetelde waarde van de percelen gelijk is aan of meer bedraagt dan de in lid 1 vermelde waarde, zijn de bepalingen van dit lid op alle percelen van toepassing. Bij opdrachten voor de uitvoering van werken mogen de aanbestedende diensten echter afwijken van lid 1 voor percelen waarvan de geraamde waarde, exclusief BTW, minder dan 1 000 000 ecu bedraagt, mits het samengetelde bedrag van deze percelen niet meer dan 20 % van de totale waarde van de massa van de percelen bedraagt.
7. Voor de toepassing van lid 1 houden de aanbestedende diensten bij het bepalen van de geraamde waarde van opdrachten voor de uitvoering van werken ook rekening met de waarde van alle leveringen of diensten die voor de uitvoering van het werk noodzakelijk zijn en door de aanbestedende diensten ter beschikking van de aannemer worden gesteld.
8. De waarde van leveringen die niet noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bepaalde opdracht voor de uitvoering van werken, mag niet bij de waarde van deze
opdracht worden opgeteld met als gevolg dat de verwerking van deze leveringen aan de toepassing van de richtlijn wordt onttrokken.
9. De aanbestedende diensten mogen de toepassing van deze richtlijn niet omzeilen door de opdrachten te splitsen of bijzondere regels te gebruiken voor de berekening van de waarde van de opdrachten.