Art. 18 Verordening (EEG) nr. 222/77

Verordening (EEG) nr. 222/77

1. De identificatie van de goederen wordt in de regel verzekerd door middel van verzegeling .

2. Verzegeling geschiedt :

a) per laadruimte , wanneer het vervoermiddel is goedgekeurd met toepassing van andere douanevoorschriften , of wanneer het door het kantoor van vertrek geschikt is bevonden ,

b) per collo , in de andere gevallen .

3. Als geschikt voor verzegeling per laadruimte kunnen worden aangemerkt de vervoermiddelen :

a) die op eenvoudige en doeltreffende wijze kunnen worden verzegeld ,

b) die zodanig zijn gebouwd dat geen goederen kunnen worden onttrokken of toegevoegd zonder braak welke zichtbare sporen achterlaat of zonder verbreking van de verzegeling ,

c) die geen geheime ruimten bevatten waarin goederen kunnen worden verborgen en

d) waarvan de laadruimten gemakkelijk toegankelijk zijn voor de douanecontrole .

4. Het kantoor van vertrek kan van verzegeling afzien , wanneer het , rekening houdend met eventuele andere identificatiemaatregelen , mogelijk is , aan de hand van de omschrijving van de goederen in het document T 1 of de bijgevoegde stukken , de goederen te identificeren .