Art. 11 Richtlijn 77/452/EEG

Richtlijn 77/452/EEG

1. Indien een Lid-Staat van zijn onderdanen voor de toegang tot of de uitoefening van een der in artikel 1 omschreven werkzaamheden een vergunning eist of inschrijving of aansluiting bij een beroeps - of bedrijfsorganisatie verlangt , stelt deze Lid-Staat de onderdanen van de Lid-Staten van deze eis vrij in geval van dienstverrichting .

De begunstigde oefent zijn dienstverrichting uit met dezelfde rechten en verplichtingen als de onderdanen van de ontvangende Lid-Staat ; voor hem gelden met name de disciplinaire bepalingen van professionele of administratieve aard die van toepassing zijn in die Lid-Staat .

Treft de ontvangende Lid-Staat ter toepassing van de tweede alinea een maatregel of draagt hij kennis van feiten die indruisen tegen deze bepalingen , dan deelt hij zulks onmiddellijk mede aan de Lid-Staat waar de begunstigde is gevestigd .

2. De ontvangende Lid-Staat kan voorschrijven dat de begunstigde van tevoren aan de bevoegde instanties verklaart dat hij deze diensten verricht , ingeval dit een tijdelijk verblijf op zijn grondgebied meebrengt .

In spoedgevallen kan deze verklaring zo snel mogelijk na de dienstverrichting worden afgelegd .

3. Op grond van de leden 1 en 2 kan de ontvangende Lid-Staat van de begunstigde een of meer documenten eisen met de volgende gegevens :

- de verklaring , bedoeld in lid 2 ,

- een bewijsstuk waaruit blijkt dat de betrokkene de desbetreffende werkzaamheden in de Lid-Staat waar hij gevestigd is , wettig uitoefent ,

- een bewijsstuk dat de betrokkene het of de diploma's cetifica(a)t(en ) of andere titels(s ) bezit die voor het verrichten van de bedoelde diensten is/zijn vereist en wordt/worden genoemd in deze richtlijn .

4. Het/de in lid 3 bedoelde document(en ) mag/mogen bij overlegging niet ouder zijn dan twaalf maanden .

5. Indien een Lid-Staat een van zijn onderdanen of een op zijn grondgebied gevestigde onderdaan van een andere Lid-Staat geheel of gedeeltelijk , tijdelijk of definitief , de bevoegdheid ontneemt om een van de in artikel 1 genoemde werkzaamheden uit te oefenen , draagt hij er zorg voor dat het in lid 3 , tweede streepje , bedoelde bewijsstuk al naar gelang van het geval tijdelijk of definitief wordt ingetrokken .