Art. 100 Verordening (EEG) nr. 574/72, Achterstallige vorderingen

Verordening (EEG) nr. 574/72

1. Bij de vereffening van de rekeningen tussen de organen van de Lid-Staten mogen aanvragen om vergoeding in verband met prestaties die werden verleend in de loop van een kalenderjaar, dat meer dan drie jaar ligt vóór de datum van inzending van die aanvragen aan een verbindingsorgaan of een orgaan van de bevoegde Lid-Staat dat de prestaties verschuldigd is, buiten beschouwing worden gelaten door het orgaan dat de prestaties verschuldigd is.

2. Ten aanzien van de aanvragen om vergoedingen die tegen een vast bedrag worden berekend, vangt de termijn van drie jaar aan op de datum van bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen van de overeenkomstig de artikelen 94 en 95 van de toepassingsverordening vastgestelde gemiddelde jaarlijkse kosten van de verstrekkingen.

Artikel 101 (8)

Stand van de schuldvorderingen

1. De Administratieve Commissie stelt voor elk kalenderjaar een stand van de schuldvorderingen op, zulks ter toepassing van de artikelen 36, 63 en 70 van de verordening.

2. De Administratieve Commissie kan elk onderzoek laten instellen, dienstig voor de controle op de statistische en boekhoudkundige gegevens, aan de hand waarvan de stand van de schuldvorderingen bedoeld in lid 1 wordt opgesteld, inzonderheid om na te gaan of deze in overeenstemming zijn met de voorschriften van deze titel.

3. De Administratieve Commissie neemt de in dit artikel bedoelde besluiten op grond van een verslag van een rekencommissie, die haar een met redenen omkleed advies uitbrengt. De Administratieve Commissie stelt de werkwijze en de samenstelling van de rekencommissie vast.

Artikel 102 (8)

Taak van de rekencommissie — Bepalingen betreffende de vergoedingen

1. De rekencommissie heeft tot taak:

a) de noodzakelijke gegevens bijeen te brengen en de berekeningen te verrichten die voor de toepassing van deze titel vereist zijn;

b) op gezette tijden aan de Administratieve Commissie verslag uit te brengen over de resultaten van de toepassing van de verordeningen, in het bijzonder in het financiële vlak;

c) aan de Administratieve Commissie alle passende suggesties in verband met het onder a) en b) bepaalde te doen;

d) aan de Administratieve Commissie voorstellen te doen met betrekking tot de opmerkingen die overeenkomstig artikel 94, lid 4, en artikel 95, lid 4, van de toepassingsverordening aan haar worden voorgelegd;

e) aan de Administratieve Commissie voorstellen met betrekking tot de toepassing van artikel 101 van de toepassingsverordening voor te leggen;

f) alle werkzaamheden, studies of opdrachten uit te voeren met betrekking tot de haar door de Administratieve Commissie voorgelegde vraagstukken.

2. De in de artikelen 36, 63 en 70 van de verordening bedoelde vergoedingen worden voor alle bevoegde organen van een Lid-Staat te zamen door tussenkomst van de door de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten aangewezen instellingen betaald aan de organen van een andere Lid-Staat die betalingen te vorderen hebben. De instellingen door tussenkomst waarvan de vergoedingen zijn betaald, stellen de Administratieve Commissie in kennis van de vergoede bedragen, binnen de door die commissie gestelde termijnen en op de door haar vastgestelde wijze.

3. Wanneer de vergoedingen worden vastgesteld op grond van het werkelijke bedrag der verleende prestaties, zoals dit uit de boekhouding van de organen blijkt, worden zij voor elk kalenderhalfjaar in de loop van het daaropvolgende kalenderhalfjaar betaald.

4. Wanneer de vergoedingen worden vastgesteld op basis van vaste bedragen, worden zij voor elk kalenderjaar betaald; in dit geval betalen de bevoegde organen aan de organen die betalingen te vorderen hebben, voorschotten op de eerste dag van elk kalenderhalfjaar en wel op de door de Administratieve Commissie vastgestelde wijze.

5. De bevoegde autoriteiten van twee of meer Lid-Staten kunnen andere termijnen voor de betaling der vergoedingen of een andere wijze voor de betaling van voorschotten overeenkomen.