Art. 11 Richtlijn 64/427/EEG
Deze richtlijn is gericht tot alle Lid-Staten .
B . ADVIES VAN HET ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITE
Tijdens zijn 31e zitting op 24/25 september 1963 te Brussel heeft het Economisch en Sociaal Comité het volgende advies uitgebracht :
ADVIES VAN HET ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITE
inzake het " voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende de opzet van de overgangsmaatregelen op het gebied van de zelfstandige werkzaamheden van de nijverheidsberoepen behorende tot de klassen 23 _ 40 van de C.I.T.I . ( Industrie en Ambacht )
HET ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITE ,
Gezien het verzoek om advies van de Raad van Ministers van de E.E.G . d.d . 10 mei 1963 inzake het voorstel voor een " richtlijn van de Raad betreffende de opzet van de overgangsmaatregelen op het gebied van de zelfstandige werkzaamheden van de nijverheidsberoepen behorende tot de klassen 23 _ 40 van de C.I.T.I . ( Industrie en Ambacht ) " ,
Gezien art . 54 , lid 2 , art . 57 , art . 63 , lid 2 , en art . 66 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap ,
Gezien het advies van het Comité inzake het " algemeen programma voor de opheffing van de beperkingen van de vrijheid van vestiging " ( doc . CES 20/61 d.d . 2 februari 1961 ) ,
Gezien het advies van het Comité inzake het " algemeen programma voor de opheffing van de beperkingen van het vrij verrichten van diensten " ( doc . CES 19/61 d.d . 2 februari 1961 ) ,
Gezien zijn advies inzake het " voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende de wijze waarop de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten verwezenlijkt worden voor niet in loondienst verrichte beroepswerkzaamheden van de be - en verwerkende nijverheid behorende tot de klassen 23 t / m 40 van de I.S.I.C . ( Industrie en Ambacht ) " ( doc . CES 326/63 d.d . 25 september 1963 ) ,
Gezien art . 23 van het Reglement van Orde van het Economisch en Sociaal Comité ,
Gezien het haar door de heer Wellmanns voorgelegd rapport en de tijdens haar vergadering van 26 juni 1963 gehouden beraadslagingen ,
Gezien de beraadslagingen van het Economisch en Sociaal Comité op 25 september 1963 , tijdens zijn 31e zitting ,
Overwegende dat de opheffing van de beperkingen van de vrijheid van vestiging en van het vrij verrichten van diensten voor niet in loondienst verrichte beroepswerkzaamheden van de be - en verwerkende nijverheid behorende tot de klassen 23 t / m 40 van de I.S.I.C . alleen , niet voldoende is voor de verwezenlijking van het vrije verkeer in de zin van artikel 52 t / m 66 van het Verdrag ;
Overwegende dat in de Lid-Staten op het gebied van het ambacht uiteenlopende toelatingsvoorschriften bestaan die weliswaar geen discriminatie van vreemdelingen in de zin van artikel 52 en 63 inhouden , maar waarvan de toepassing voor vreemdelingen die een werkzaamheid uitoefenen grotere moeilijkheden kan medebrengen dan voor de onderdanen van de Lid-Staat ;
Overwegende dat de in het Verdrag voorziene latere coordinatie van de voorschriften voor de toelating tot een beroep doelmatig door middel van overgangsmaatregelen kunnen en moeten worden voorbereid ;
Overwegende dat de overgangsmaatregelen echter noch op de definitieve oplossing met betrekking tot de bewijzen van vakbekwaamheid en de coordinatie volgens artikel 57 , lid 1 en 2 van het Verdrag mogen vooruitlopen , noch te grote nadelen voor de eigen onderdanen met zich mogen brengen ;
Overwegende dat reeds voorgelegde richtlijnen voor het regelen van algemene vraagstukken de verwezenlijking van de onderhavige richtlijn zullen vergemakkelijken en dat een reeks problemen die in deze richtlijn voorkomen reeds bij een vroegere gelegenheid zijn behandeld ,
BRENGT VOLGEND ADVIES UIT :
Het voorstel van een " richtlijn van de Raad betreffende de opzet van de overgangsmaatregelen op het gebied van de zelfstandige werkzaamheden van de nijverheidsberoepen behorende tot de klassen 23-40 van de C.I.T.I . ( Industrie en Ambacht ) " wordt goedgekeurd onder voorbehoud van navolgende opmerkingen , suggesties en wijzigingsvoorstellen :
1. Het Comité hecht er grote waarde aan , dat de genoemde richtlijn gelijktijdig met de " richtlijn betreffende de wijze waarop de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten verwezenlijkt worden voor niet in loondienst verrichte beroepswerkzaamheden van de be - en verwerkende nijverheid behorende tot de klassen 23 t / m 40 van de I.S.I.C . ( Industrie en Ambacht ) " wordt uitgevaardigd , en dat in de afzonderlijke Lid-Staten de voor de toepassing van deze richtlijn noodzakelijke maatregelen zo spoedig mogelijk van kracht worden .
2. Ten aanzien van de ontwerp-richtlijn maakt het Comité de volgende opmerkingen en stelt de onderstaande wijzigingen voor :
Artikel 1
Daar de richtlijn behalve natuurlijke personen tevens vennootschappen betreft , verzoekt de afdeling de Commissie het opstellen van de richtlijn inzake de coordinatie der beschermende maatregelen voor het vennootschapsrecht zodanig te bespoedigen , dat de toepassing van onderhavige richtlijn hierdoor wordt vergemakkelijkt .
Artikel 2
Het Comité stelt met voldoening vast dat de Commissie ernaar streeft slechts die nationale instellingen met het verstrekken van inlichtingen te belasten waarvan vaststaat , dat zij dit betrouwbaar en snel kunnen doen . Voorts stelt het voor , ten aanzien van het verstrekken van deze voorafgaande inlichtingen een termijn vast te stellen .
Artikel 4
Het Comité is het weliswaar in principe eens met de door de Commissie in art . 4 , lid 1 voorgestelde overgangsregeling die tot doel heeft de vestiging , resp . het verrichten van diensten , van een onderdaan van een Lid-Staat in die staten waar bewijzen van vakbekwaamheid zijn voorgeschreven te vergemakkelijken . Het is echter van mening dat in de door de Commissie voorgestelde voorwaarden voor het bewijs van vakbekwaamheid bepaalde wijzigingen dienen te worden aangebracht om een te grote benadeling van de eigen onderdanen van het land van ontvangst te vermijden .
Het stelt derhalve voor , artikel 4 , lid 1 als volgt te wijzigen :
" Is in een Lid-Staat , de toegang tot een der in artikel 1 genoemde werkzaamheden of de uitoefening daarvan afhankelijk gesteld van het bezit van algemene , handels - of vakkennis , dan erkent deze Lid-Staat dat aan de voorwaarde van vakbekwaamheid in de betrokken Lid-Staat is voldaan , wanneer deze vakbekwaamheid als volgt blijkt uit de werkelijke uitoefening van de betrokken werkzaamheid in een andere Lid-Staat :
a) hetzij als zelfstandige of bedrijfsleider gedurende zes achtereenvolgende jaren ;
b) hetzij als zelfstandige of bedrijfsleider gedurende drie achtereenvolgende jaren , als de begunstigde kan bewijzen dat hij in het betrokken beroep een opleiding van ten minste drie jaar heeft ontvangen , hetgeen moet blijken uit een door de staat erkend getuigschrift of uit een verklaring van een bevoegde beroepsinstelling waarin die vakopleiding als volwaardig wordt erkend ;
c) hetzij als zelfstandige of bedrijfsleider gedurende drie achtereenvolgende jaren , als de begunstigde kan bewijzen dat hij het betrokken beroep reeds gedurende ten minste vijf jaren in loondienst heeft uitgeoefend .
De in deze bepalingen bedoelde begunstigden dienen ten minste 25 jaar oud te zijn " .
Artikel 6
a) Het Comité gaat met bepaalde voorschriften van artikel 6 akkoord , voor zover deze voor de landen van ontvangst die geen regeling hebben , in de mogelijkheid voorzien van de onderdaan van een land dat wel een regeling heeft het bewijs te verlangen dat hij aan de in zijn vaderland gestelde voorwaarden voor toelating voldoet .
Ten opzichte van de verschillende juridische mogelijkheden die de ambachtsman heeft om in de afzonderlijke Lid-Staten zelfstandig een ambacht uit te oefenen , zouden volgens het Comité onderdanen , die in hun land van herkomst het aldaar voorgeschreven bewijs van bevoegdheid niet leveren , zich in een Lid-Staat , die geen toelatingsvoorschriften kent kunnen vestigen . Daar in deze omstandigheden de in art . 6 van de richtlijn voorziene procedure voor de vestiging in de landen zonder regeling te omslachtig lijkt , wordt voorgesteld in artikel 6 af te zien van het speciale indienen van een verzoek , alsmede van het verlenen van machtiging door de Commissie .
b) Het Comité stelt unaniem een eventuele aanvulling van art . 6 voor , uit hoofde van de volgende overwegingen :
De toepassing van art . 6 kan leiden tot een benadeling van die onderdanen van een land van herkomst die reeds sedert jaren , misschien reeds sinds hun kinderjaren , in het land van ontvangst woonachtig zijn . Meestal is het hen in het geheel niet mogelijk in het bezit te komen van de in hun land van herkomst voorgeschreven diploma's , titels en andere proeven van bekwaamheid . Zij dienen dus van toepassing van art . 6 , lid 1 , alinea 1 , uitdrukkelijk te worden vrijgesteld .
Het Comité dringt er derhalve bij de Commissie op aan om van haar kant bij het vaststellen van de voorwaarden en de werkwijze met deze gevallen rekening te houden , ter vermijding van onbillijkheden . Men zou ook art . 6 , lid 1 , alinea 2 als volgt kunnen aanvullen :
" ... of die gedurende ten minste vijf opeenvolgende , aan de uitoefening van het beroep voorafgaande jaren in het betreffende land van ontvangst woonachtig zijn geweest " .
Artikel 9
Het Comité acht het onmogelijk de voor de toepassing van de richtlijn vereiste nationale maatregelen binnen de in artikel 9 voorgeschreven uitvoeringstermijn te treffen . Het stelt derhalve voor , de richtlijn binnen 6 maanden na haar bekendmaking in werking te doen treden .
Aldus besloten te Brussel op 25 september 1963 .
De Voorzitter van het
Economisch en Sociaal
Comité
Emile ROCHE