ABRvS 15 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6112
Bij beslissing van 8 september 2026 heeft de examencommissie van de School of Business and Economics het verzoek van [verzoeker] om te worden ingeschreven voor het vak Sustainable Development for Emerging Markets (het vak) in periode 2 afgewezen. Tegen deze beslissing heeft [verzoeker] administratief beroep ingesteld bij het college van beroep voor de examens (CBE). Ook heeft hij de voorzitter van het CBE verzocht een voorlopige voorziening hangende het administratief beroep te treffen. De voorzitter van het CBE heeft dit verzoek op 23 september 2026 afgewezen. [verzoeker] heeft de examencommissie verzocht om hem in te schrijven voor het vak in periode 2. Dit zou het vierde vak zijn dat hij in periode 2 volgt, naast de vakken Social Entrepreneurschip, Global Business en Emerging Economies EMEA. De examencommissie heeft het verzoek van [verzoeker] afgewezen. Het maximum aantal vakken dat een student in een periode mag volgen is twee. Het is alleen mogelijk om - twee keer per opleiding - drie vakken in een periode te volgen, mits alle vakken uit het eerste jaar zijn behaald. [verzoeker] kan zich wel inschrijven voor een exam-only, maar dit biedt mogelijk geen uitkomst om het vak af te ronden, omdat dit maar een deel van het eindcijfer uitmaakt. [verzoeker] verzoekt de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening te treffen om hem hangende het administratief beroep in te schrijven voor het vak in periode 2.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
202603020/1/A2.
Datum uitspraak: 15 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)) in het geding tussen:
[verzoeker], wonend in [woonplaats],
verzoeker,
en
de examencommissie van de School of Business and Economics (de examencommissie),
verweerder.
Procesverloop
Bij beslissing van 8 september 2026 heeft de examencommissie het verzoek van [verzoeker] om te worden ingeschreven voor het vak Sustainable Development for Emerging Markets (het vak) in periode 2 afgewezen.
Tegen deze beslissing heeft [verzoeker] administratief beroep ingesteld bij het college van beroep voor de examens (CBE). Ook heeft hij de voorzitter van het CBE verzocht een voorlopige voorziening hangende het administratief beroep te treffen. De voorzitter van het CBE heeft dit verzoek op 23 september 2026 afgewezen.
[verzoeker] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De examencommissie heeft een verweerschrift ingediend.
[verzoeker] heeft een nader stuk ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op een zitting behandeld op 6 oktober 2026, waar [verzoeker] en de examencommissie, vertegenwoordigd door mr. C.A.P. Schröder, zijn verschenen.
Overwegingen
1 Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.
Inleiding
2 [verzoeker] volgt in studiejaar 2026-2027 de bacheloropleiding International Business - specialisatie Emerging Markets (de bacheloropleiding) aan de Maastricht University. Hij zit in het derde en laatste jaar van de bacheloropleiding.
3 [verzoeker] heeft de examencommissie verzocht om hem in te schrijven voor het vak in periode 2. Dit zou het vierde vak zijn dat hij in periode 2 volgt, naast de vakken Social Entrepreneurschip, Global Business en Emerging Economies EMEA.
4 De examencommissie heeft het verzoek van [verzoeker] afgewezen. Het maximum aantal vakken dat een student in een periode mag volgen is twee. Het is alleen mogelijk om - twee keer per opleiding - drie vakken in een periode te volgen, mits alle vakken uit het eerste jaar zijn behaald. [verzoeker] kan zich wel inschrijven voor een exam-only, maar dit biedt mogelijk geen uitkomst om het vak af te ronden, omdat dit maar een deel van het eindcijfer uitmaakt.
5 [verzoeker] verzoekt de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening te treffen om hem hangende het administratief beroep in te schrijven voor het vak in periode 2.
Bevoegdheid van de voorzieningenrechter
6 De examencommissie betoogt dat de voorzieningenrechter niet bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen. Op het verzoek om een voorlopige voorziening hangende het administratief beroep zijn twee wetsartikelen van toepassing: artikel 7.61, zesde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (Whw) en artikel 8:81 van de Awb. In deze procedure heeft de voorzitter van het CBE al een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen. Een beoordeling door de voorzieningenrechter op het verzoek van [verzoeker] is zogezien een verkapt beroep tegen de beslissing van de voorzitter van het CBE.
6.1 De voorzieningenrechter is op grond van artikel 8:81 van de Awb bevoegd tot het treffen van een voorlopige voorziening in afwachting van een beslissing op een administratief beroep. Maar ook kent de Whw in artikel 7.61, zesde lid, van de Whw die bevoegdheid toe aan de voorzitter van het CBE. De voorzieningenrechter heeft daarover in haar uitspraak van 1 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3619, overwogen dat de voorzitter van het CBE het beste in staat is om het verzoek om een voorlopige voorziening te beoordelen, gelet op zijn inbedding in de onderwijsinstelling en de korte lijnen met de examencommissie en vakdocenten. Het ligt dus in de rede om in eerste instantie een voorlopige voorziening te vragen bij de voorzitter van het CBE. Als de voorzitter van het CBE het verzoek afwijst, dan wel niet binnen een redelijke termijn op dit verzoek beslist, staat het verzoeker vrij zich alsnog tot de voorzieningenrechter te wenden.
In de uitspraak van 23 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4338, heeft de voorzieningenrechter overwogen dat het indienen van een verzoek bij de voorzieningenrechter evenwel niet als een verkapte (hoger)beroepsprocedure moet worden gezien. De voorzieningenrechter zal daarom bij het maken van een hernieuwde (belangen)afweging het nodige gewicht toekennen aan de beslissing van de voorzitter.
Overigens is de voorzieningenrechter niet bevoegd om kennis te nemen van een beroep, ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter van het CBE op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening. Het systeem van rechtsbescherming dat de Whw en de Awb bieden, voorziet in te onderscheiden procedures in bodemzaken en voorlopige voorzieningenprocedures. Hierin past niet dat beroep openstaat bij de rechter in de bodemzaak tegen een beslissing op een voorlopige voorziening (uitspraak van de Afdeling van 12 augustus 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4628).
6.2 Uit het voorgaande volgt dat de voorzieningenrechter bevoegd is om van het verzoek van [verzoeker] kennis te nemen. Dat hij zich eerst tot de voorzitter van het CBE heeft gewend doet daaraan niet af en is zelfs gewenst gezien de korte lijnen van de voorzitter met de examencommissie en het voorkomen van onnodig beroep op schaarse rechterlijke besliscapaciteit. Daarbij komt dat het verzoek van [verzoeker] niet kan worden begrepen als een beroepschrift tegen de beslissing van de voorzitter van het CBE. Het betoog van de examencommissie slaagt niet.
Beoordeling van het verzoek
7 Het oordeel van de voorzieningenrechter is een voorlopig oordeel en niet bindend in de bodemprocedure.
Spoedeisend belang
8 [verzoeker] betoogt een spoedeisend belang te hebben bij het treffen van een voorlopige voorziening. Hij stelt minimaal een half jaar studievertraging op te lopen als hij niet wordt ingeschreven. Als hij alle andere openstaande vakken in studiejaar 2026-2027 haalt, dan staat alleen nog het vak open, dat pas weer in periode 2 van het volgende studiejaar wordt aangeboden.
8.1 De voorzieningenrechter volgt [verzoeker] in zijn betoog dat hij een spoedeisend belang heeft bij zijn verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening. Het afwachten van het oordeel van het CBE op zijn administratief beroep zou in zijn geval betekenen dat hij in periode 2 niet kan starten met het vak, terwijl dit een verplicht onderdeel is van het curriculum en alleen in die periode van het studiejaar wordt aangeboden. Niet is gebleken dat hij hoe dan ook andere vakken in het volgende studiejaar moet afronden voor het behalen van het diploma. Ook kan [verzoeker] de achterstallige studiepunten van het vak niet anderszins in studiejaar 2026-2027 inlopen. Dit betekent dat hij onherroepelijk studievertraging oploopt als hij niet in periode 2 kan starten met het vak.
Belangenafweging
9 [verzoeker] betoogt dat hij een zwaarwegend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening. Hij heeft van zijn stageplaats een aanbod gekregen om vanaf augustus 2027 als analist bij het stagebedrijf aan de slag te gaan. Door de studievertraging gaat deze kans verloren. Daarbij komt dat hij het vak in het tweede jaar niet heeft kunnen afronden vanwege familieomstandigheden, is het rooster-technisch haalbaar om vier vakken te volgen in periode 2 en is ook de studielast haalbaar, gelet op AI-toepassingen en zijn ervaring in het Franse onderwijs, waarin lange lesdagen gebruikelijk zijn. Verder heeft hij een financieel belang bij het voorkomen van studievertraging.
9.1 De voorzieningenrechter stelt voorop dat een student aan de School of Business and Economics (SBE) per periode maximaal twee vakken kan volgen. Dit is aan studenten kenbaar gemaakt op het SBE Student Intranet. Bij uitzondering kan een derde vak worden aangevraagd. De examencommissie heeft daarover toegelicht dat binnen de SBE gebruik wordt gemaakt van het zogenoemde systeem van ‘problem based learning’ (PBL), waarbij wordt gewerkt met kleine onderwijsgroepen en een actieve bijdrage van studenten is vereist. Het volgen van meer dan twee vakken heeft negatieve gevolgen voor het plannen van de onderwijsgroepen, de groepsdynamiek en studeerbaarheid van de opleiding.
In het geval van [verzoeker] zou het registreren voor vier vakken, gelet op artikel 7.4 van de Whw, leiden tot een studielast van 104 uren per week (4 vakken x 6,5 ECTS per vak = 26 ECTS x 28 uur per ECTS = 728 uur / 7 weken in een periode = 104 uren per week). Dit is een zeer zware studielast. De examencommissie stelt dat daardoor het risico bestaat dat [verzoeker] onvoorbereid naar de onderwijsgroepen komt of zelfs tussentijds bij één van de vakken uitvalt. Het is volgens de examencommissie dan ook zeer aannemelijk dat door het toelaten van [verzoeker] tot het vierde vak de studeerbaarheid van de andere studenten, die onderwijsgroepen voor de vier vakken met hem delen, in het geding komt. Te meer omdat bij alle vier de vakken in periode 2 participatie onderdeel is van het tentamen, waarbij bij sommige vakken ook een groepsopdracht een tentamenonderdeel is, zoals voor het vak het houden van een groepsfacilitatie.
9.2 De voorzieningenrechter onderschrijft het belang van de examencommissie om de studeerbaarheid van de medestudenten te beschermen en is van oordeel dat dit belang zwaarder weegt dan het belang van [verzoeker] om geen studievertraging op te lopen. Dat volgens [verzoeker] de studielast meevalt, omdat door gebruik van AI-tools de studielast minder dan 28 uur per ECTS is en hij in Frankrijk dagelijks lange lesdagen had, acht de voorzieningenrechter onvoldoende concreet en onderbouwd om tot een ander oordeel te komen. Bovendien is al twee keer een uitzondering voor [verzoeker] gemaakt door hem voor periode 1 en 2 van studiejaar 2026-2027 in te schrijven voor drie vakken. De voorzieningenrechter gaat er verder vanuit dat maatwerk wordt geleverd als het CBE het administratief beroep gegrond verklaart, zodat [verzoeker] alsnog in studiejaar 2026-2027 de bacheloropleiding kan afronden. Gelet op de betrokken belangen ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding de gevraagde voorziening te treffen.
Conclusie
10 De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.
11 De examencommissie hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. D.T.J. van de Voort, griffier.
w.g. Daalder
voorzieningenrechter
w.g. Van de Voort
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2026
1062
BIJLAGE
WETTELIJK KADER
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 8:81
1 Indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
[…].
Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
Artikel 7.4. Studiepunten
1 De studielast van elke opleiding en elke onderwijseenheid wordt door het instellingsbestuur uitgedrukt in studiepunten. De studielast voor een studiejaar bedraagt 60 studiepunten. 60 studiepunten is gelijk aan 1.680 uren studie.
2 Een opleiding wordt zodanig ingericht dat een student in staat is het aantal studiepunten te behalen waarop de studielast voor een studiejaar gebaseerd is.
Artikel 7.61. Bevoegdheid college van beroep voor de examens
[…].
6 Indien onverwijlde spoed dat vereist kan de voorzitter van het college van beroep een voorlopige voorziening treffen op verzoek van de indiener van het beroepschrift, onverminderd het bepaalde in artikel 7.66, tweede lid, en artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht. De voorzitter beslist op dit verzoek na het desbetreffende orgaan dan wel de desbetreffende examinator te hebben gehoord, althans te hebben opgeroepen.
Bachelor Education and Examination Regulations Academic Year 2026-2027
Definition of Terms
[…].
Participation: can be a partial requirement of an educational unit: actively contributing to the parts (tutorials, lectures, etc.) of an educational unit, if and as stated in the syllabus concerned and which can be a condition to pass the educational unit.
[…].
Article 3.2. Format of the study programmes
All Bachelor's study programmes at the SBE are offered as full-time study programmes and start once a year in September. Each Bachelor's study programme lasts three (3) academic years with a workload of 1,680 hours per academic year, which corresponds with 60.0 ECTS credits per academic year. One ECTS credit equals a workload of 28 hours (Article 7.4 The act/WHW).
Article 4.7 Attendance, Participation and Course assignments
Attendance at and participation in educational units may be part of an examination when announced along with its assessment norms in the syllabus. A course assignment can be used to compensate for failed attendance. For educational units in the first-year's bachelor exam Article 4.8 of this BSc-EER applies.