ABRvS 16 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6107
Bij besluit van 10 december 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen, bepaald dat zij de Europese Unie onmiddellijk moet verlaten, een inreisverbod tegen haar uitgevaardigd en haar gesignaleerd in het Schengeninformatiesysteem.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
BRS.26.004538
ECLI:NL:RVS:2026:6107
Datum uitspraak: 16 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 12 mei 2026, en haar einduitspraak van 20 augustus 2026, in zaak nr. NL25.61727 in het geding tussen:
[de betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 10 december 2025 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen, bepaald dat zij de Europese Unie onmiddellijk moet verlaten, een inreisverbod tegen haar uitgevaardigd en haar gesignaleerd in het Schengeninformatiesysteem.
Bij tussenuitspraak van 12 mei 2026 heeft de rechtbank de minister in de gelegenheid gesteld om een aan dat besluit klevend gebrek te herstellen.
Bij besluit van 15 juni 2026 heeft de minister het besluit van 10 december 2025 aangevuld.
Bij uitspraak van 20 augustus 2026 heeft de rechtbank het tegen deze besluiten door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 10 december 2025, aangevuld bij besluit van 15 juni 2026, vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraken heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. A.K.E van den Heuvel, advocaat in Made, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
Inleiding
1 Betrokkene heeft de Amerikaanse nationaliteit. De minister heeft de asielaanvraag van betrokkene afgewezen, omdat zij een ernstig niet-politiek misdrijf heeft gepleegd als bedoeld in artikel 1(F), aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag. Betrokkene wordt in de Verenigde Staten verdacht van medeplichtigheid aan moord en samenzwering tot moord op haar ex-partner, de vader van haar dochter. De Amerikaanse autoriteiten hebben een arrestatiebevel uitgevaardigd tegen betrokkene en een verzoek om uitlevering ingediend bij de Nederlandse autoriteiten.
1.1 De rechtbank heeft de besluiten van 10 december 2025 en 15 juni 2026 van de minister vernietigd, omdat betrokkene aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar de Verenigde Staten het risico loopt te worden veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf zonder uitzicht op vervroegde invrijheidstelling. Volgens de rechtbank heeft de minister niet alle twijfels weggenomen dat betrokkene bij terugkeer een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM.
1.2 De Afdeling is in deze uitspraak van oordeel dat de rechtbank niet heeft onderkend dat betrokkene de afwijzing van de asielaanvraag niet heeft bestreden. Daarnaast heeft de rechtbank niet onderkend dat de minister geen terugkeerbesluit mocht nemen vanwege de uitleveringsprocedure die nog loopt. De Afdeling legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Afwijzing van de asielaanvraag
2 De minister klaagt in zijn tweede grief terecht dat de rechtbank het besluit van 10 december 2025, aangevuld bij besluit van 15 juni 2026, in zijn geheel heeft vernietigd. De minister wijst er terecht op dat de rechtbank heeft vastgesteld dat betrokkene niet heeft bestreden dat zij een ernstig
niet-politiek misdrijf heeft gepleegd als bedoeld in artikel 1(F), aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag. De minister betoogt terecht dat daarmee vaststaat dat hij betrokkene terecht heeft uitgesloten van de vluchtelingenstatus. Gelet op artikel 3.107 van het Vb 2000 en artikel 17, eerste lid, aanhef en onder b, van de Kwalificatieverordening kent de minister in dat geval ook geen subsidiaire beschermingsstatus toe aan betrokkene. Dit betekent dus dat betrokkene is uitgesloten van internationale bescherming. Vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3643. De minister betoogt daarom terecht dat de rechtbank het besluit van 10 december 2025, aangevuld bij besluit van 15 juni 2026, in stand had moeten laten voor zover de minister de asielaanvraag heeft afgewezen. De tweede grief slaagt.
Terugkeerbesluit en uitleveringsprocedure
3 De Afdeling komt niet toe aan de inhoudelijke beoordeling van de eerste grief van de minister. Die grief gaat over de vraag of betrokkene bij terugkeer naar de Verenigde Staten een reëel risico loopt als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Zoals hiervoor overwogen, is betrokkene uitgesloten van internationale bescherming. In zo’n situatie moet de vraag of een vreemdeling bij terugkeer een reëel risico loopt, worden beantwoord in het kader van terugkeer en daarmee het nemen van een terugkeerbesluit. De Afdeling is van oordeel dat de minister in het geval van betrokkene, voor zolang de uitleveringsprocedure loopt, geen wettelijke grondslag heeft om een terugkeerbesluit te nemen, omdat de Terugkeerrichtlijn niet van toepassing is. Dit licht de Afdeling hierna toe.
3.1 Op grond van artikel 2, tweede lid, aanhef en onder b, van de Terugkeerrichtlijn kan een lidstaat besluiten die richtlijn niet toe te passen op onderdanen van derde landen tegen wie een uitleveringsprocedure loopt. De wetgever heeft er expliciet voor gekozen om deze bepaling om te zetten in nationaal recht, namelijk in artikel 109a, aanhef en onder b, van de Vw 2000 (Kamerstukken II 2009/2010, 32 420, nr. 3, blz. 7). De Amerikaanse autoriteiten hebben op 2 juni 2025 verzocht om uitlevering van betrokkene. Nadat de uitleveringsrechter de uitlevering toelaatbaar heeft geacht, heeft de minister van Justitie en Veiligheid op 11 augustus 2026 een besluit genomen om betrokkene uit te leveren. Betrokkene heeft tegen dat besluit een rechtsmiddel ingesteld bij de civiele rechter. De civiele rechter heeft daar nog geen oordeel over gegeven. Op dit moment loopt er dus nog een uitleveringsprocedure tegen betrokkene. Daarom is de Terugkeerrichtlijn niet van toepassing, zolang die uitleveringsprocedure nog loopt. De minister mocht dan ook niet al op 10 december 2025 een terugkeerbesluit nemen en een inreisverbod uitvaardigen vanwege het ontbreken van een wettelijke grondslag en bevoegdheid. Gelet hierop heeft de rechtbank het terugkeerbesluit en het inreisverbod uiteindelijk wel terecht vernietigd. Dit brengt met zich dat op dat moment ook de door de minister gehanteerde rechtsgrond voor de signalering in het Schengeninformatiesysteem van betrokkene is komen te ontvallen.
3.2 Wat de Afdeling hiervoor heeft overwogen, neemt overigens niet weg dat de minister wel een terugkeerbesluit mag nemen als betrokkene niet kan of mag worden uitgeleverd (zie ook Kamerstukken II 2009/2010, 32 420, nr. 3, blz. 7).
3.3 Voor de volledigheid merkt de Afdeling nog op dat de minister van Justitie en Veiligheid in de uitleveringsprocedure verantwoordelijk is om het reëel risico op een schending van artikel 3 van het EVRM te beoordelen. De civiele rechter is vervolgens gehouden om die beoordeling ten volle te toetsen. Vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1680, onder 3.4.2 tot en met 3.4.5.
3.4 Uit het voorgaande volgt dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over het antwoord op de opgeworpen vraag of de Terugkeerrichtlijn van toepassing is. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 16, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punten 39 en 40, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 37, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
Conclusie
4 Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de tussenuitspraak van de rechtbank van 12 mei 2026 en de einduitspraak van 20 augustus 2026 voor zover zij daarin het besluit van 10 december 2025, aangevuld bij besluit van 15 juni 2026, in zijn geheel heeft vernietigd. De Afdeling vernietigt die besluiten voor zover de minister een terugkeerbesluit heeft genomen, een inreisverbod heeft uitgevaardigd en betrokkene heeft gesignaleerd in het Schengeninformatiesysteem. Dit betekent dat alleen de afwijzing van de asielaanvraag in stand blijft. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de tussenuitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 12 mei 2026 en de einduitspraak van 20 augustus 2026 in zaak nr. NL25.61727, voor zover zij daarin het besluit van 10 december 2025, aangevuld bij besluit van 15 juni 2026, V-[nummer], in zijn geheel heeft vernietigd;
III. vernietigt die besluiten voor zover de minister van Asiel en Migratie een terugkeerbesluit heeft genomen, een inreisverbod heeft uitgevaardigd en betrokkene heeft gesignaleerd in het Schengeninformatiesysteem.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. A. Kuijer en mr. B. Meijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.D. Salverda, griffier.
w.g. De Poorter
voorzitter
w.g. Salverda
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2026
992