ABRvS 15 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6053

Bij beslissing van 20 augustus 2026 heeft de examencommissie Erasmus MC namens de decaan van de opleiding Geneeskunde een bindend negatief studieadvies gegeven voor de bacheloropleiding Geneeskunde. [verzoeker] volgt de bacheloropleiding Geneeskunde aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. In het eerste studiejaar van de opleiding behaalde zij niet de benodigde resultaten voor toekenning van 30 studiepunten (EC) door de besliscommissie. Zij kreeg van de besliscommissie een ‘Besluit 3’ en komt daarom niet in aanmerking om verder te mogen naar de volgende onderwijsperiode. De examencommissie heeft [verzoeker] vervolgens een negatief bindend studieadvies gegeven. Tegen dit besluit heeft zij administratief beroep bij het CBE ingesteld. [verzoeker] geeft aan dat zij niet heeft kunnen deelnemen aan de inhaalgelegenheid van de vierde ‘bloktoets’. Door een aanhoudende treinstoring en uitzonderlijke file kwam zij te laat en werd haar de toegang tot de examenzaal ontzegd. Als [verzoeker] de herkansing zou hebben gemaakt zou zij hebben voldaan aan de normen om een positief bindend studieadvies te ontvangen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

202602905/1/A2.
Datum uitspraak: 15 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; Awb) in het geding tussen:
[verzoeker],
verzoeker,
en
de examencommissie Erasmus MC,
verweerder.

Procesverloop

Bij beslissing van 20 augustus 2026 heeft de examencommissie namens de decaan van de opleiding Geneeskunde een bindend negatief studieadvies gegeven voor de bacheloropleiding Geneeskunde.

Tegen deze beslissing heeft [verzoeker] administratief beroep ingesteld bij het College van beroep voor de examens. Ook heeft zij de voorzitter van het CBE verzocht een voorlopige voorziening hangende het administratief beroep te treffen. De voorzitter van het CBE heeft dit verzoek op 21 september 2026 afgewezen.

[verzoeker] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De examencommissie heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 7 oktober 2026, waar [verzoeker], bijgestaan door C.J.A. van Vliet, rechtsbijstandverlener in Markelo, en de examencommissie, vertegenwoordigd door mr. G.J. Spaans en drs. J. Bessems, vergezeld door mr. J. Streefkerk, advocaat in Utrecht, en mr. S.J. te Hennepe, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1 [verzoeker] volgt de bacheloropleiding Geneeskunde aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. In het eerste studiejaar van de opleiding behaalde zij niet de benodigde resultaten voor toekenning van 30 studiepunten (EC) door de besliscommissie. Zij kreeg van de besliscommissie een ‘Besluit 3’ en komt daarom niet in aanmerking om verder te mogen naar de volgende onderwijsperiode. De examencommissie heeft [verzoeker] vervolgens een negatief bindend studieadvies gegeven. Tegen dit besluit heeft zij administratief beroep bij het CBE ingesteld.

2 [verzoeker] geeft aan dat zij niet heeft kunnen deelnemen aan de inhaalgelegenheid van de vierde ‘bloktoets’. Door een aanhoudende treinstoring en uitzonderlijke file kwam zij te laat en werd haar de toegang tot de examenzaal ontzegd. Als [verzoeker] de herkansing zou hebben gemaakt zou zij hebben voldaan aan de normen om een positief bindend studieadvies te ontvangen.

Verzoek

3 [verzoeker] verzoekt de voorzieningenrechter bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat zij totdat op het administratief beroep is beslist toegang krijgt tot het onderwijs van het eerste jaar van de opleiding.

Beoordeling

4 Niet in geschil is dat [verzoeker] niet voldoet aan de eisen, vermeld in artikel 8.1 van de Onderwijs- en Examenregeling van de opleiding, om een positief bindend studieadvies te krijgen. In het administratief beroep gaat het om de vraag of de examencommissie had moeten afzien van het geven van een negatief bindend studieadvies.

5 De voorzieningenrechter stelt voorop dat de voorzitter van het CBE met een uitvoerig gemotiveerde beslissing de gevraagde voorlopige voorziening heeft afgewezen. Zoals de voorzieningenrechter eerder heeft overwogen in de uitspraak van 23 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4338, wordt het nodige gewicht toegekend aan een beslissing van de voorzitter van het CBE hangende een ingesteld administratief beroep. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor een ander oordeel dan de voorzitter van het CBE.

6 Daar voegt de voorzieningenrechter het volgende aan toe. Ter zitting is vastgesteld dat het belang van [verzoeker] bestaat uit het kunnen volgen van onderwijs uit Blok 3. Dat betekent dat zij vanaf 26 oktober 2026 in een groep met eerstejaarsstudenten deel mag nemen aan het onderwijs. Daar staat tegenover het belang van de opleiding dat aan die groep geen studenten deelnemen waarvan onzeker is dat zij de opleiding wel kunnen voorzetten. Het is namelijk onwenselijk als de groep onnodig wordt verstoord. Daarnaast heeft de opleiding aangegeven dat als [verzoeker] in administratief beroep in het gelijk wordt gesteld er maatwerk kan worden geleverd. Verder is van belang dat [verzoeker] het vorige studiejaar onderwijs in Blok 3 al heeft gevolgd. Tot slot is van belang dat het tentamen waar [verzoeker] aan wil deelnemen pas in december wordt afgelegd. Er is daarom geen sprake van een onomkeerbare situatie.

Slotsom

7 De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen af.

8 De examencommissie hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. D.T.J. van de Voort, griffier.

w.g. Daalder

voorzieningenrechter

w.g. Van de Voort

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2026

284-1234

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken