ABRvS 13 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6048

Bij besluit van 17 augustus 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

BRS.26.005139 en BRS.26.005140
ECLI:NL:RVS:2026:6048
Datum uitspraak: 13 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 23 september 2026 in zaak nr. NL26.48166 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 17 augustus 2026 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Bij uitspraak van 23 september 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. E.H. Bokhorst, advocaat in Veenendaal, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Appellant heeft een nader stuk ingediend.

Overwegingen

1 Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Appellant betoogt in zijn enige grief dat de hele Dublinverordening van toepassing is op zijn aanvraag, maar hiermee licht hij niet toe waarom dit van belang is voor de behandeling van zijn aanvraag. Zoals de rechtbank heeft overwogen heeft de minister de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming namelijk vastgesteld aan de hand van de criteria in de Dublinverordening.

1.1 Uit het voorgaande volgt dat beantwoording van de door appellant opgeworpen vraag over het overgangsrecht van de Amb-verordening niet nodig is voor de oplossing van deze zaak. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 10, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 34, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 35, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.

1.2 Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

2 Het hoger beroep is ongegrond. De voorzieningenrechter bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Huizer, griffier.

w.g. De Poorter

voorzieningenrechter

w.g. Huizer

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2026

987

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in