ABRvS 13 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5984

Bij besluit van 22 augustus 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en hem opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen ter verlaten.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

BRS.26.001434
ECLI:NL:RVS:2026:5984
Datum uitspraak: 13 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 19 maart 2026 in zaak nr. NL25.41057 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 22 augustus 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en hem opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen ter verlaten.

Bij uitspraak van 19 maart 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. R.C. van den Berg, advocaat in Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1 Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

1.1 Het hoger beroep gaat namelijk onder meer over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 31 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5213, onder 1, over de bevriezingsmaatregel voor derdelanders uit Oekraïne (Kamerbrief van 25 april 2024, met kenmerk 5431272) en het nemen van een terugkeerbesluit). Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen.

1.2 Ook roept het hogerberoepschrift geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).

2 Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier.

w.g. Van Gastel

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Prins

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2026

363-1183

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Verbonden uitspraken