ABRvS 9 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5336

Bij besluit van 28 juni 2024 heeft de Dienst Toeslagen, voor zover hier van belang, de hoogte van de huurtoeslag van [appellant] over het jaar 2020 definitief berekend op € 3.275,00 en € 393,00 van [appellant] teruggevorderd. De Dienst Toeslagen heeft bij besluit van 27 december 2019 het voorschot voor de huurtoeslag van [appellant] over het jaar 2020 op € 3.229,00 vastgesteld. Op 14 april 2020 heeft de woningcorporatie, waarvan [appellant] de woning aan de [locatie 1] had gehuurd, hem in kennis gesteld van het voornemen om de basishuur van deze woning te verhogen naar € 657,02 per maand. Op 19 juli 2020 heeft de Dienst Toeslagen een melding ontvangen van deze huurverhoging en dienovereenkomstig op 21 augustus 2020 het voorschot voor de huurtoeslag van [appellant] over het jaar 2020 op € 3.626,00 vastgesteld. [appellant] woonde echter sinds 25 juni 2019 in de woning aan de [locatie 2]. Vanaf 1 juli 2020 was de rekenhuur voor die woning € 552,46. De Dienst Toeslagen heeft daarvan op 20 augustus 2020 een melding ontvangen van de verhuurder van die woning. Nadat een inspecteur van de Belastingdienst op 22 april 2024 had bepaald dat [appellant] niet aangifteplichtig is voor de inkomstenbelasting over het jaar 2020, heeft de Dienst Toeslagen het in het procesverloop van deze uitspraak vermelde besluit van 28 juni 2024 genomen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen