ABRvS 3 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5134
Bij besluit van 15 juli 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie betrokkene in vreemdelingenbewaring gesteld. Betrokkene heeft op 25 juni 2026 een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel ingediend. Bij besluit van 13 juli 2026 heeft de minister deze aanvraag na behandeling in de versnelde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Dit besluit is ook een terugkeerbesluit. Betrokkene heeft hiertegen beroep ingesteld en om een voorlopige voorziening verzocht. Op 15 juli 2026 heeft de minister betrokkene in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Deze uitspraak gaat over de vraag of betrokkene na de afwijzing van de asielaanvraag rechtmatig verblijf had tijdens de beroepstermijn en tijdens de behandeling van zijn verzoek om een voorlopige voorziening. Het antwoord is bepalend voor de vraag of hij op de juiste grondslag in bewaring is gesteld. Anders dan de rechtbank komt de Afdeling in deze uitspraak tot de conclusie dat betrokkene na de afwijzing van zijn asielaanvraag geen rechtmatig verblijf had op grond van artikel 8, aanhef en onder h, onder 2°, van de Vw 2000 tijdens de beroepstermijn en tijdens de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening. Dit volgt uit artikel 68, derde lid, aanhef en onder a, gelezen in samenhang met artikel 68, vijfde lid, onder d, van de Procedureverordening (Verordening (EU) 2024/1348). Dit betekent dat de minister betrokkene terecht op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring heeft gesteld.
De uitspraak op rechtspraak.nl