ABRvS 3 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3177

Bij besluit van 19 juni 2024 heeft de burgemeester van Breda de aan [wederpartij] verleende Alcoholwetvergunning per direct ingetrokken. [wederpartij] was de exploitant van het [horecabedrijf] , gelegen aan [adres]. Zij heeft het café inmiddels verkocht. Op 16 augustus 2016 heeft zij een vergunning aangevraagd voor het schenken van alcoholhoudende dranken. De burgemeester heeft deze vergunning op 10 november 2016 verleend op grond van de destijds geldende Drank- en Horecawet (DHw). De vergunning geldt met ingang van 1 juli 2021 volgens artikel 48b eerste lid van de Alcoholwet als een vergunning op grond van de Alcoholwet. De voormalige exploitant van het café heeft op 12 november 2015 de burgemeester verzocht om de echtgenoot van [wederpartij], als leidinggevende bij te schrijven. Bij besluit van 31 december 2015 heeft de burgemeester dit verzoek afgewezen, omdat de echtgenoot in enig opzicht van slecht levensgedrag was in de zin van artikel 30a, vijfde lid, aanhef en onder a, van de DHW. Daarna is door [wederpartij] hetzelfde verzoek ingediend op 26 juni 2018, 8 november 2018 en 15 augustus 2023. Ook deze verzoeken zijn door de burgemeester afgewezen, waardoor het [wederpartij] niet toegestaan is om haar echtgenoot te laten optreden als leidinggevende van het café.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen